Introduction

In contrast to all the other pages (exept gedraag-je and worm) of this website is this section not in English. Perhaps I will translate the story on a later moment.

Hfdst 1: Worm in het moeras

Hijgend bleef Worm tegen een oude krom gewaaide boom staan. Hij kon niet meer. Achter zich hoorde hij de opgewonden stemmen van de Bosgrobbenjongens die hem op de hielen zaten. Hij moest verder want als ze hem te pakken kregen. Worm snikte. Hij moest er niet aan denken.

Worm dacht terug aan wat er vandaag gebeurd was op school. Meester Zetsnor had de Grobbenjongens opgestookt en die waren er maar al te graag op ingegaan. Het was allemaal begonnen met de les van meester Zetsnor over het woud. Iedere dag leerde meester Zetsnor de Grobbenkinderen tot tien te tellen en iedere les leerde hij ze over het woud waarin ze woonden. Meester Zetsnor had, net als alle voorgaande lessen, de Grobbenkinderen verteld dat de grote planten waaronder de meeste Grobben leefden bomen heetten. Meester Zetsnor had zijn vinger opgestoken en met een gezicht alsof hij aan de Grobbenkinderen het geheim van de schepping verraadde bijna gefluisterd: “Het zijn echter niet zomaar bomen, het zijn Eikenbomen.” Meester Zetsnor had nog meer geheimen willen onthullen maar voordat hij zo ver kon komen had Worm zijn vinger opgestoken en aan de meester gevraagd hoe de boom heette die midden op het dorpsplein stond. Aan die boom groeiden geen gewone eikels maar prachtige glimeikels en ook de bladeren zagen er anders uit dan die aan de andere bomen in het dorp.
Meester Zetsnor was helemaal paars geworden en de haren van zijn snor waren recht naar voren staan.
“Wat bedoel je, had hij gegild, wat bedoel je hè nou nou, wat bedoel je met hoe heet die boom.?”
Worm had wijs moeten zijn en verder zijn mond moeten houden maar hij ging het uitleggen.
Met zijn vriendelijkste stem zei hij:” Nou, meester, ik dacht als een boom andere bladeren heeft en er glimeikels aan groeien heeft ie misschien wel een andere naam. Ik dacht hoe heet nou die boom die midden op het dorpsplein staat.”
“Hoe die heet hè, hè? Die boom heet boom en die boom die daarachter staat heet ook boom,” antwoordde meester Zetsnor woedend. “Alleen als je een echte sterke houthakkers Grobbe bent dan weet je dat die boom anders heet: Vliegeik of Treureik of Glimeik of ach wat maakt het ook uit. Met die spriet armpjes van jou word je toch nooit een houthakker.”
“Dan word je schoolmeester”, hoorde ook Worm iemand in de klas fluisteren.
“Wàt, hè hè, wie zei dat,” siste meester Zetsnor alsof hij door een blaasworm gebeten was. Zonder blikken of blozen wees Modderkuil naar Worm: “Hij”
Meester Zetsnor draaide zich weer naar Worm toe.
“Jij lelijke onderkruipsel, jij miserabele grondworm. Ik zal je je brutale mond betaald zetten. Verdwijn ga je bij mevrouw Kenau melden, verdwijn.”
Tijdens de woede uitval was meester Zetsnor nog paarser geworden. De aderen in zijn slapen begonnen te kloppen en kwijl droop uit zijn mond.
Worm was zich gaan melden en zijn billen gloeiden nu nog na zo had Kenau, of nee mevrouw Kenau, de echtgenote van meester Zetsnor hem afgerost.
Mevrouw Kenau had hem laten gaan precies op het moment dat ook de andere Grobbenjongens de school uitliepen. Eén blik in hun richting was voor Worm genoeg om het op een lopen te zetten. Aardkorst, Boombloed en Schorsnagel, zijn ergste kwelgeesten, hadden direct de achtervolging ingezet terwijl ze om het hardst riepen: “We gaan je verzuipe.”

“Die etterbakken ook, dacht hij verdrietig, waarom laten ze me niet met rust. Ik heb ze verdomme niks gedaan.”
In de verte kraste een uil. Worm keek om zich heen
“Was dat wel een uil?” dacht Worm angstig.
Het moeras zag er leeg en verlaten uit, maar Worm wist wel beter. Achter elke boom of in elke poel school minstens één monster die nog niet gegeten had. Dat had Knoest hem zelf gezegd.
Nog eenmaal haalde hij diep adem en toen rende hij weer verder. Hij rende in de richting van het dorp aan de rand van het Westerwoud.
Niet ver van de plek waar Worm tegen een boom even op adem had staan komen, stopten de drie Bosgrobben.
“Hij mot hier potdome in de buurt zijn, Boombloed. Hoe ken zo een roze slijmprop nou harder holle dan wij, Nee hij ken niet ver weg weze. Kom op we gaan verder”
“Wacht nou es effe, Schorsnagel, as jij niet zo stom was gewees om op je bek te valle, hadde we hem allang in z’n kladde.Maar die achterlijke modderkruiper mos weer zo nodig gaan legge en nog wel voor mijn voete. Ik had je een doodschop motte geve.”
Oh ja, oh ja, hoor je dat Aardkorst, geeft ie groene etterpuist mijn de schuld, die groene galspuiter. Ik zal je es een zaaier tussen je schele Grobbe ogen verkope, zodat je wratte …”
Voordat Schorsnagel verder kon gaan had Boombloed hem een enorme dreun met zijn knuppel op zijn hoofd gegeven. Schorsnagel keiharde Grobbenkop kon de klap wel hebben, maar de belediging niet.
“Jij vuile, gemene ... Hier pak an.”
Schorsnagel ramde zijn knuppel in de buik van Boombloed.
Boombloed sloeg kreunend voorover waardoor zijn zo goed als kale achterhoofd onbeschermd als op een dienblaadje voor Schorsnagels zware houten knuppel werd geserveerd. Schorsnagel uitte een triomfantelijke kreet en mepte Boombloed met volle kracht op zijn achterhoofd. Boombloed viel met zijn gezicht in de modder en bleef met zijn billen omhoog en zijn kop naar beneden liggen.
“Dat zal hem lere, potdome en nog es potdome, wat denk die wratloze slijmprop wel.”
Aardkorst de derde Grobbe had nog niet veel interesse getoond voor de vechtpartij. Als je je druk ging maken als twee Grobben elkaar met knuppels voor de kop ramden werd je niet oud.
“Ik geloof dat ik wat hoor”, bromde Aardkorst, “shht luister.”
“Potdome, waar zit dat gezwel, ik ohhh me kop!” Juist op dat moment kwam Boombloed weer luidkeels bij zijn positieven.
“Houd je kop, gek, “siste Aardkorst, “ik geloof dat ik die roze slijmprop hoor.”
Boombloed schudde z’n dikke wrattige Grobbenkop maar bleef wel stil. Alle drie luisterden ze nu ingespannen.
“Daar achter die kromme bome, daar loop ie. Kom op we pakke hem.”
De drie jonge Grobben zetten zich weer in beweging en renden achter Worm aan.

Worm was ondertussen aan de rand van het moeras gekomen.
“Hé ho, zit de Deemsterwicht je op de hielen?”
Tussen het struikgewas stapte een stevige bijna volwassen Grobbe voor Worm het pad op
“Ik groet je, Boombast broer, moge de dingen blijven zoals ze zijn. Wat ben ik blij je te zien,” riep Worm, Ze zitten weer achter me aan. Ze willen me verzuipen, Boombast. Eerst tot moes slaan en dan verzuipen.”
“Ik groet je, Worm broer, zoals de dingen zijn, zijn ze goed. Ach wel nee, Het is maar een spelletje. Ze willen je hoogstens een beetje door de modder sleuren en je weet dat het stamhoofd verboden heeft jou met een knuppel op je kop te slaan. Dat roze eierschaaltje breekt al als er een te groot blad op valt. Nou als Hakhout dat heb gezegd dan laten ze het echt wel uit hun kop.”
“Je begrijpt het niet Boombast. Meester Zetsnor stookt ze op. Ze gaan me vermoorden.”
Boombast schudde zijn grote groene kop. Op dat moment verschenen achter elkaar de drie Grobbenjongens op het pad.
“We hebbe …,” begon Aardkorst. Maar toen hij Boombast zag slikte hij zijn woorden in.
Boombast ging midden op het pad staan en brulde.
“Ik groet jullie, stelletje galblazen. De eerste de beste etterpuist die met zijn fikken aan mijn broertje komt, die ram ik hoogst persoonlijk tot aan zijn kruin een modderpoel in. Hebben jullie dat begrepen lapzwansen?” Terwijl hij dit zei zwaaide Boombast vervaarlijk met zijn zware houthakkersbijl boven zijn hoofd. De drie Grobbenjongens keken angstig naar Boombast. Hoe was het mogelijk dat zo’n geweldige Grobbe als Boombast zo’n misbaksel van een broertje had? Hoe dan ook het dreigement maakte indruk.
“Ik groet je, Boombast, de dingen waren zoals ze zijn eh of zoiets. Ach, het was maar een grappie, Boombast. We wouwe Worm niet echt pijn doen,” fleemde Aardkorst. “We wouwe alleen een beetje spele.”
“Ja, ja dat zal wel” gromde Boombast, “leuke spelletjes verzinnen jullie en wat aardig dat Worm altijd de hoofdrol mag spelen.”
“Ja hè, antwoordde Boombloed gemeen, “we late Worm gewoon meedoen. Nou als je weet wat meester Zetsnor over hem zegt.”
“Wat zegt die meester Zetsnor dan?” vroeg Boombast kwaad.
“Oh vraag dat zelf maar aan de meester, Boombast,” zei Aardkorst snel, “kom, jongens, we gaan terug naar het dorp. Oh en eh Worm je kan gerust met ons mee lope hoor. We doen je ech niks, ech nie.”
Boombast keek Aardkorst wantrouwend aan.
“Dat is je geraden en denk erom als jullie toch een grapje met Worm uithalen en ik hoor ervan dan sla ik jou tot moes.”
“Maar dat is niet eerlijk Boombast, Stel nou dat Modderkuil Worm een stamp geef, dan kan ik daar toch niks an doen, nee toch?” antwoordde Aardkorst verontwaardigd, “das nie eerlijk.”
“Nee,” zei Boombast,” en daarom sla ik dan voor de eerlijkheid Modderkuil ook in elkaar, heb je het gesnapt? En nou wegwezen.”
“Ik ga liever met jou mee Boombast”, piepte Worm zachtjes.
“Nee, Worm je weet dat vader dat niet wil. Je loopt ons alleen maar in de weg of je hakt jezelf een hand af. Bomen vellen is niets voor jou.”
“Ja maar …,”
“Niks te maren.”
“Ze weten dat ik meen wat ik zeg en dat vergeten ze heus niet. Je moet niet zo bang zijn Worm. Sla eens van je af. Als je altijd maar over je heen laat lopen komen en nooit eens terug slaat, blijven ze je treiteren. “
“Ja, Boombast, maar..”, probeerde Worm nog een keer.
“Daar ga je weer”, zei Boombast boos, “Ja maar, ja maar.. Altijd heb je wat terug te zeggen. Hou daarmee op, Worm. De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.”
Met die woorden draaide Boombast zich om en verdween tussen de struiken.
Worm schudde zijn hoofd. Hij zou er nooit aan wennen, nooit. Ondertussen had hij echter belangrijkere zaken aan zijn hoofd. Terwijl Worm en Boombast met elkaar spraken, waren de drie Grobbenjongens om hen heen gelopen. Ze stonden nu tussen Worm en het veilige dorp in.
Grijnzend keken ze Worm aan.
Boombast was nog maar nauwelijks verdwenen toen Boombloed begon te schelden:
“Grijp hem. Ram hen tegen een boom. Sleur hem door de modder. Vuile roze kikker, tovenaarsjong.”
Worm deinsde angstig achteruit. Hij had wel geweten dat Boombasts dreigement geen enkele waarde meer zou hebben zodra hij zijn hielen gelicht had. Waarschijnlijk waren de Grobben Boombast alweer vergeten.
“Hé, eikel,” zei Aardkorst gemeen langzaam, “ je broertje heb wel een grote muil maar ik denk nie….
“Ja, wat mot je?”
Aardkorst hield verbaasd zijn mond en keek om. Achter hem stond een vierde Grobbenjongen
“Nou, wat mot je,” zei de nieuwkomer ongeduldig.
“Niks,” antwoordde Aardkorst, “heb ik je geroepen dan?”
“Ja, je riep Eikel,” zei de nieuwe Grobbe
Langzaam ging er een lichtje op bij Aardkorst. Die zeker niet één van de domste Grobben was.
“Potdome, wie noemt zijn zoon nou ook, Eikel.” zei Aardkorst, “nee, Eikel ik bedoel die andere eikel. Daar die roze.”
Eikel keek Aardkorst met een nog legere blik dan gewoonlijk aan. Hij dacht na.
“Eikels benne niet roze. Ik heet Eikel want me ouwe vaar heb me zo genoemd. Heb jij daar soms wat tegen? Aardworst!” zei Eikel boos.
“Ja, het is een stomme naam voor een stomme Grobbe,” beet Aardkorst van zich af, “en ik heet Aardkorst.”
“Wel potdome en nog eens potdome. Ik word kwaad Aardworst. Ik word heel kwaad.”
Eikel wachtte het antwoord van Aardkorst niet af maar rende met opgeheven knuppel op hem af. Voordat Aardkorst zich kon verdedigen had hij al een enorme dreun op zijn kop gekregen. Binnen de kortste keren rolden de twee Grobben vechtend over de grond.
Worm zag zijn kans schoon, draaide zich om en rende langs de Grobben naar het dorp.
“Hé Aardkorst,” schreeuwde Schorsnagel, “hij neemt de bene, hij peert hem.”
Woedend keek Aardkorst naar Schorsnagel maar voor hij iets kon zeggen of doen, ramde Eikel hem zijn knuppel in z’n rug.
“Ohh ah,” kreunde de Grobbe en zeeg voorover op zijn knieën
“Ja, hou nou maar op,” zei Schorsnagel tegen Eikel die juist klaar stond Aardkorsts hoofd de modder in te heien.
“Maar hij noemde die roze slijmprop ook Eikel en dat pik ik niet van niemand nie.”
“Jij heet nou eenmaal Eikel, Aardkorst heet Aardkorst en nou ja die roze slijmprop heet Worm, De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo” zei Schorsnagel bedaard terwijl een diepe frons in zijn groene voorhoofd trok, “ en assie nou niet ophoud krijgie van mijn een mep.”
Eikel keek Schorsnagel een ogenblik aan en toen klaarde zijn blik op. Hij knikte.
De dingen zijn zoals ze zijn daarom zijn ze zo”, herhaalde Eikel, je hebt gelijk Schorsnagel. Mag ik met jullie meedoen om die roze slijmprop te verzuipen?”
Ook Aardkorst was overeind gekrabbeld. Met grote ogen keek hij de andere drie Grobben aan en zuchtte.
“De dingen zijn zoals ze zijn daarom zijn ze zo,” zei hij ernstig, kom Eikel we gaan die roze slijmprop tot moes slaan.” Waar is die graverskont eigelijk.”
Worm had ondertussen de eerste huisje van het Grobbendorp bereikt. De Grobben woonden in houten huisjes tussen de enorme eiken van het Westerwoud in en sommigen ,waaronder de vader en moeder van Worm hadden een huis in een holle eik. Hij wist wel dat hij in het dorp ook alles behalve veilig was en zeker niet om deze tijd nu het al aardig donker begon te woorden. Hij hoopte maar dat de Grobbenjongens het voor vandaag wel welletjes vonden en hem niet verder achtervolgenden. Maar daarin vergiste Worm zich. Toen ze door hadden dat Worm het dorp was ingerend, zetten de vier Grobben de achtervolging weer in.
Toch bleef Boombloed die voorop liep plotseling staan. De andere drie botsten tegen hem op en alle vier rolden ze over de grond. Aardkorst was het eerst overeind. Hij had zijn knuppel al in de hand om Boombloed duidelijk te maken dat hij het met deze actie niet eens was. Voor Aardkorst toesloeg zei Boombloed:
“Het wor donker. En die slijmprop is bijna thuis. Straks lope we Boombast tege ze stomme dikke lijf. Astie gaat ramme wil ik er nie bij zijn. Hij is bloedsterk dat wete jelui ook wel,” Boombloed huiverde,” “we verzuipe hem gewoon morrege, dan ken toch ook?”
“Je heb gelijk, Boombloed” zei Schorsnagel, “as we hem nou te graze neme benne we hartstikke bezope, ja toch? As ie op school komp, verzuipe we hem toch gewoon morrege.” Schorsnagel grijnsde. Het idee stond hem duidelijk aan.
Ook Aardkorst en Eikel vonden het geen goed idee Worm nu verder te achtervolgen.
“We pakke je morrege wel,” schreeuwde Aardkorst, “denk maar nie dat je van ons af ben.”
De vier dropen af in de richting van het Grobbendorp.


Worm strompelde volledig overstuur de kleine boomwoning binnen waar hij met zijn vader, Knoest, zijn moeder en broer, Terra en zijn broer, Boombast woonde. Worm noemde Knoest, Terra en Boombast wel zijn vader, moeder en broer, maar iedereen zag in één oogopslag dat Worm nooit een echte zoon van Terra en Knoest kon zijn. Worm was mager en lang, terwijl Terra en Knoest klein en dik waren. Worm had sprieterig rood haar, terwijl Knoest en Terra donker krul haar hadden. Toch zou er nog twijfel mogelijk zijn geweest als Terra en Knoest niet waren omhuld met een grijsgroene huid die met wratten was getooid, terwijl Worm het met een gladde roze velletje zonder zelf maar één vetpuistje moest doen.
Worm was lelijk, oh zo ontzettend lelijk. Voor de Grobben was Worm een belediging aan hun ogen. Als Grobben enig gevoel voor humor hadden gehad hadden ze Worm wellicht uit gelachen of grapjes over hem gemaakt. Maar een zes eeuwen oude Woudeik was een frivole grappenmaker in vergelijking met de Grobbe. Diezelfde Woudeik was trouwens in vergelijking tot een Grobbe een roekeloze nieuwlichter. Als twee Grobben elkaar ontmoetten, zei de één altijd: “Ik groet je moge de dingen blijven zoals ze zijn”, waarna de ander antwoordde: “Ik groet je zoals de dingen zijn, zijn ze goed”. Bovendien zeiden ze minstens tien maal per dag: “De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.” En wel op een manier die een heilige priester aan de voet van de Drakenberg niet zou misstaan.
Zat er dan helemaal geen afwisseling in? Oh jawel. Grobben vonden zichzelf buitengewoon slim en in verhouding tot een donderzwijn of een Geins mestkalf klopte dat ook. De rest van de zich op twee benen voortbewegende bewoners van Westerne vonden Grobben echter ongelofelijk stom en met die opvatting sloegen ze de spijker recht op zijn kop. Voor de meeste Grobben waren de twee begroetingszinnen en de lijfspreuk dan ook veel te lang en te moeilijk.
Varianten als: Ik groet je, moge je ding blijven zoals hij is” met als antwoord “zoals mijn ding zijn, zijn ie groot.” kwamen veelvuldig voor.
Worm was overduidelijk geen Grobbe, maar een mens. Net zoals de houthalers, meester Zetsnor, zijn vrouw Kenau en allerlei andere exemplaren op twee benen die net als Worm wel een gladde roze huid maar geen wratten hadden. Uitgezonderd het enorme behaarde exemplaar op de neus van Kenau. De Grobben in het dorp waar Worm opgroeide legden die link niet. Voor de Grobben was Meester Zetsnor een mens, en Worm was een weerzinwekkend lelijke Grobbe.
Goed, Worm strompelde dus het huisje binnen en zijn Grobbemoeder, Terra, stond hem bij de deur al op te wachten. Hortend en stotend probeerde Worm aan Terra te vertellen wat hem gebeurd was. Hij was zo overstuur dat hij zelfs vergat Terra op zijn Grobbes te begroeten.
“Ze wilden me verzuipen, moeder en tot moes slaan en Boombast wilde me niet helpen en Eikel kwam er ook bij. Het is allemaal de schuld van meester Zetsnor en toen klonk dat gebrul nee eerst gekras. Morgen, ik …..”
Worm barstte in een wanhopig gehuil uit. Hij was niet meer te stuiten. Terra was een schat. Terwijl ze Worm in haar enorme behaarde armen sloot wiegde ze Worm zachtjes heen en weer.
Hoelang ze zo gestaan hadden wisten ze geen van beiden, maar de deur van het huisje ging open en Knoest en Boombast stapten binnen. Het gehuil van Worm was overgegaan in een heftig gesnik.
Knoest keek naar het schouwspel en er gleed een donkere schaduw over zijn norse gezicht.
“Ik groet je, Terra vrouw en Worm zoon, moge de dingen blijven zoals ze zijn. Blijve we hier de hele week staan janke of krijg ik nog wat te ete,” zei hij vervolgens ruw, “ik heb me rot gehakt op die bome en ik heb honger. Het laatste waar ik op zit te wachte is op dat gejank! Wat schaft de pot, Terra vrouw?”
Ook Boombast sprak de traditionele begroeting uit. Boombast keek naar Worm en zijn moeder en schudde zijn hoofd.
“Je wordt nooit een echte Grobbe, Worm, nooit,” zei Boombast bars, “vind je het gek dat die gaste je te pakken wille neme. Zo’n huilebalk. Ik heb zin op je zelf een pak slaag te geve!”
Als door een adder gebeten, liet Terra Worm los en draaide zich naar Boombast om.
“Ik groet je Knoest man en Boombast zoon, zoals de dingen zijn zijn, zijn goed. Wie gaat hier iemand een pak slaag geven, lompe graversdrol die je bent, hier pak aan! Als hier iemand pakken slaag uitdeelt, ben ik dat, hoor je dat stuk wolvenstront, hier pak aan en nog één.”
Terra sloeg Boombast links en rechts om zijn oren. Nu was Boombast niet voor een kleintje vervaard maar de klappen die Terra uitdeelde waren niet mis. Hij deinsde achteruit.
“Hou op,” brulde Knoest ineens, “hou op Terra. Boombast heeft gelijk. Worm wordt nooit een echte Grobbe. De dingen zijn zoals ze zijn daarom zijn ze zo”
Terra hield inderdaad op Boombast te slaan. Haar woede richtte zich nu op haar man.
“Hou je wijsheden maar voor je, wolhoofd. Nee Worm wordt nooit een echte Grobbe en weet je waarom niet wolhoofd, Nou?”
Knoest keek zijn vrouw onzeker aan. De tranen stonden in Terra’s ogen. Hij hield op zijn grove Grobbemanier veel van haar, maar als ze kwaad op hem was, wist hij zich niet goed raad. Als iemand anders hem zo zou toespreken greep hij gewoon zijn knuppel en ramde er oplos. De andere Grobbemannen uit het dorp behandelden ook hun vrouwen zo, maar Knoest wilde dat niet. Hij wilde geen ruzie met Terra en hij wilde haar zeker niet slaan. Toch had Boombast gelijk. Alleen Terra praatte zo snel dat hij dat niet duidelijk kon maken. Met geboden nek en zijn mond een beetje open bleef hij Terra daarom maar aan staan te staren.
“Nou, zeg je nog wat lompe Aardwolf of ben je voor Bloedeik aan het oefenen. Dan zeg ik het je wel. Worm wordt nooit een Grobbe omdat hij geen Grobbe is. Weet je nog. Hij is een mens, mmèènnss.”
Knoest haalde zijn schouders op.
“Je weet best wat ik bedoel, Terra, je weet het best,” zei Knoest, “hij wordt nooit een Grobbe. De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.”
“Oh en daarom moeten we hem maar als een hoop stront behandelen,” antwoordde Terra. Ze begon nu echt warm te lopen:” Daarom mag die idioot van een Zetsnor hem te kijken zetten voor dat stelletje achterlijke welpen hè, hè. Bedoel je dat soms?”
“Nee, Terra dat bedoel ik niet, maar zo gaat het niet langer.”
Knoest draaide zich om en liep verder het huisje in. Hij wilde er niet meer over praten en er al helemaal geen ruzie met Terra over maken.
“Nou, schiet op ga je gezicht afspoelen,” zei Terra streng tegen Worm, “ik ga eten klaarmaken.”
Worm knikte. Met gebogen hoofd liep hij weg. Buiten bij de regenton kwam hij Boombast tegen.
“Boombast, ik,” begon Worm.
Voor hij verder kon gaan gaf Boombast hem een harde duw tegen zijn schouder. Worm kon zich nog net staande houden.
“Donder op jij, slijmprop, “ zei Boombast woedend, “ik had die knullen je tot moes motten laten slaan. Vuile janker.”
Worm schrok. Boombast was zijn beste vriend, zijn enige vriend in het dorp. De enige die hem tegen de Grobbenjongens beschermde. Ontdaan stak Worm zijn hoofd in de regenton. Na een paar seconden kwam hij proestend weer boven. Het koude water had hem goed gedaan. Het leek wel of de wollen deken in zijn hoofd was opgeslagen.
“Wat zit ik toch te zeuren,” dacht Worm, “Ik heb toch nog een vriend en Dent dan. Dent was een Hulder, een oud en wijs ras. Er leefden niet veel Hulders meer in het Westerwoud. Tenminste dat zeiden de Grobben altijd. En ze zeiden ook dat dat kwam omdat Hulders hoogmoedig waren en er allerlei opstandige ideeën op na hielden. Daarom waren ze nu uit het bos verdwenen. Uitgeroeid beweerde meester Zetsnor met zijn kraaienstem” Ja behalve die gek van een Dent. Nou ja z’n naam zegt al genoeg, hè. Wie heet er nou Dent?”
Worm wist wel beter. Bovendien wie heette er nu Zetsnor, Zeiksnor zal hij bedoelen. Dent was helemaal niet gek en hij had hem zelf verteld dat de Hulders helemaal niet uitgeroeid waren maar alleen veel dieper het woud waren ingetrokken om moeilijkheden te voorkomen. Welke moeilijkheden dat dan zouden moeten zijn had Dent er niet bij verteld.
Op tiendag ging Worm meestal naar Dent toe. Dent woonde ook in een boomhuis wat verder het woud in. Op tiendag hoefden de Grobben niet naar school.

Dent was wel een beetje een vreemde vriend. Hij was erg oud en je kon niet met hem stoeien of zo. Eigenlijk was hij meer een soort schoolmeester maar dan wel een hele aardige.”
Op tiendagen leerde Dent Worm van alles. Bijvoorbeeld dat bij het bomen tellen de boom die na tien kwam, elf heette en die daarna twaalf en dan dertien enzovoort enzovoort. Hij had Worm ook verteld dat hij negentienhonderdvijfendertig en een half jaren oud was. Negentienhonderdvijfendertig jaren Worm had hem vol onbegrip aangekeken. “Negentienhonderdvijfendertig? Staan er wel zoveel bomen in het Westerwoud”, had Worm gevraagd. Maar toen was Dent in de lach geschoten. Beste Worm had hij gezegd er staan nog veel meer bomen in het woud, veel en veel meer. Dat zijn er zoveel dat niemand ze kan tellen.. Even had het Worm geduizeld, meer dan negentienhonderdvijfendertig bomen. De andere Grobben hadden het maar makkelijk, die zeiden gewoon dat de elfde boom de eerste van de volgende tien was en dat er heel veel bomen in het woud stonden of dat bijvoorbeeld Kriebelbaar heel erg ontzettend oud was en bovendien zo gek als een blaasworm. Maar Worm wist wel beter. Dent was niet alleen zo maar heel erg oud. Hij was negentienhonderdvijfendertig en een half jaar oud en de eerste van de volgende tien bomen heette niet weer de eerste maar was de elfde.
Even schoot een gevaarlijke gedachte door Worms hoofd.
“Misschien zijn de dingen niet altijd zoals ze zijn?” dacht hij opeens, “misschien is het daarom een enkele een doodenkele keer wel eens anders.”
Hij schrok van zichzelf.
“Nee, dat mag ik niet denken. Als iemand merkt dat ik dat denk, dan voeren ze me vast aan de Deemsterwicht. Om de gevaarlijke gedachten uit zijn hoofd te verjagen stopte Worm nog een keer zijn kop in de regenton. Hij bleef zolang hij kon onder water. Net toen hij boven wou komen werd hij op zijn schouder getikt.
“Goed plan, Worm, als je je zelf verzuipt kunnen de jongens het niet meer doen.”
Boombast stond achter hem en keek hem vriendelijke aan.
“Het spijt me Worm,” zei z’n grote broer, “ik heb rot tegen je gedaan.”
“Oh, eh, geeft niks, logisch dat je kwaad was,” zei Worm stoer, “ik stelde me ook wel een beetje aan.”
Met een diepe zucht van opluchting liep Worm even later naast Boombast het huisje in om te gaan eten.
Knoest was teruggekomen en at nu zwijgend zijn eten op. Er werd met geen woord meer over de zaak gesproken. Ook Worm hield zijn mond dicht. Toch was zijn verdriet een beetje over.
“Ik heb twee vrienden,” dacht hij opgetogen, “ en ik vraag Dent, als ik dat durf tenminste hoe het zit met: De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo. Ik hoop alleen maar dat Aardkorst en zijn kornuiten niet bedenken dat ik naar Dent ga, dan wachten ze me vast op. Ik moet heel vroeg weggaan.”
Na het eten vertrok Worm direct naar zijn slaaphoek boven de ruimte waar ze leefden.

 

Hfdst 2: Op school

Worm gaapte, rekte zich uit, gooide de deken van zich af en stapte zijn bed uit.
“Brr, koud, bah,” begon hij gelijk te mopperen, “wat een rotweer. Altijd hetzelfde hier of het nou zomer of winter is. Ik ga weer terug.”
Bijna was Worm zijn bed weer ingekropen, maar toen klonk de stem van moeder Terra.
“Ben je er al uit, Worm? Je moet naar school en je weet het Meester Zetsnot heeft een hekel aan te laat komen”, riep zijn moeder.
“Ja, ja, ik kom zo naar beneden, “antwoordde Worm zuur en in zichzelf mompelde hij
Jaha, ik kan niet heksen en Meester Zetsnor heeft aan wel meer zaken een hekel vooral aan mij,” mompelde Worm binnensmonds.
“Oh, nou mooi maar schiet je wel op”, riep moeder Terra nog eens
Al mopperend trok Worm zijn kleren en zijn laarzen aan. Getver alles was koud en klam. En het vooruitzicht was ook al waardeloos. De hele ochtend in de klas bij meester Zetsnor samen met een stel idioten van Grobben.
Met een knots van een ochtendhumeur klom Worm het houten trapje af. Het was stil in het boomhuisje. Zijn moeder was bezig het ontbijt klaar te maken. Zijn vader en zijn broer waren allang de deur uit om in het woud hout te hakken.
“Goeie morgen, Worm,” zei moeder Terra vriendelijk, “lekker geslapen.”
Worm grommelde iets bevestigends en liep direct door naar buiten. Achter de boom waarin ze woonden stond een grote regenton. Hij trok zijn hemd uit en kletste een flinke plons koud water in zijn gezicht.. Proestend greep hij de doek die aan een haakje naast de ton hing en droogde zijn gezicht af.
Allemachtig, brr, dat is pas echt koud.
Het begon al licht te worden. Hier en daar kwam het Grobbendorp tot leven. Ergens ging een deur piekend en krakend open, een kind begon te huilen en een haan kondigde luidkeels de nieuwe dag aan.
“Rothaan, houd je snavel of ik draai je nek eraf en die van je baas erbij!!!”
“Dat zou je es motte proberen, strontgraver. Je blijf met je pote van me haan af anders sla ik je met me knuppel voor je kop.”
“Oh nee,” dacht Worm, “daar gaan ze weer. Het is hier elke ochtend hetzelfde. Elke ochtend dezelfde idioten die met hun geschreeuw iedereen wakker maken. Altijd ruzieën en altijd schreeuwen.”
Het gefoeter werd steeds erger. Niet alleen de haan kreeg ervan langs ook zijn belager werd toegeschreeuwd dat hij zijn grote bek moest houden. Een tweede haan zette in.
Worm hoorde met stijgende ergernis de steeds luider wordende kakafonie aan.
Hij had er genoeg van. Snel liep hij het huisje weer in om te ontbijten.
Zijn moeder had een dampende kom pap op de oude houten tafel klaar gezet. Zelf was ze naar boven gegaan waar hij haar hoorde rommelen.
“Ik begin vast, anders kom ik te laat,” riep Worm luid naar boven.
Toen Worm de pap ophad, stond hij op, trok zijn wollen mantel aan, slingerde zijn rugzak op zijn rug en liep naar de deur
“Ik groet je, Terra moeder, ik ga, tot vanavond.”
“Hé, wacht eens even, nog niet gaan,” riep moeder Terra van boven. Ik moet je nog wat geven. Ik kom naar beneden.
Worm haalde zijn schouders op. Hij had weer eens niet goed gegroet.
Oh, neem me niet kwalijk moeder. Moge de dingen vandaag blijven zoals ze zijn,” zei Worm luid, maar hij mopperde zacht: “Nou goed, vertelt ze me elke morgen dat ik niet te laat moet komen en als ik me dan haast, houdt ze me om zoiets stoms tegen.”
Zijn moeder waggelde het steile houten trapje af.
Worm keek naar zijn moeder. Terra was een echte Grobbenvrouw. Ze was klein en dik en ze had een groene huid net wratten. Met haar korte dikke benen waggelde ze meer dan ze liep.
“Ik lijk in de verste verte niet op haar”, dacht Worm, “zij, mijn vader en mijn broer zijn mooie Grobben maar ik ben een afzichtelijk monster, ik ben roze in plaats van groen, ik heb geen wratten en ik ben lang en dun. Ik snap niet waarom ik zo lelijk moet zijn.”
De enige twee die wel een beetje op Worm leken waren meester Zetsnor en zijn vrouw Kenau, maar dat was nou niet iets waar Worm blij mee was.
Moeder Terra zei altijd dat het niet uitmaakte dat hij er anders uitzag. Hij was net zo’n Grobbe als alle anderen. Worm wist wel beter. Behalve zijn moeder vond niemand dat hij een Grobbe was al alle andere. Zijn vader en broer vonden hem een slappeling en een lafaard en de andere Grobbenjongens vonden hem een afzichtelijk monster. Er ging geen dag voorbij dat ze hem dat niet inwreven.
Terra stapte op haar zoon toe. Nu pas zag Worm dat ze een vreemde, oude, knoestige stok in haar hand hield. Ze keek er heel benauwd bij.
Zo snel ze kon duwde Terra de stok in Worms handen. Toen ze de stok kwijt was begon ze haar handen tegen elkaar te wrijven en er hevig in te blazen. Worm huiverde. Een ijskoude rilling liep langs zijn ruggengraat omhoog. Voor hem stond een lelijk dom mormel. Eén klap en ze zou mors dood zijn. De duistere gedachte verdween even snel als hij was opgekomen.
Worm keek zijn moeder verbaasd aan.
“Het lijkt wel of je je handen verbrand hebt,” zei Worm
“Oh, nee hoor,” antwoordde Terra met een klein stemmetje, “het is niks helemaal niks.”
Terwijl ze in haar handen bleef blazen, keek ze over haar handen Worm aan met een blik alsof hij ieder moment kon ontploffen.
“Weet je zeker, dat er niks is, moeder Terra,” vroeg Worm, en eh wat moet ik hiermee? Wil je dat ik het vuur nog opstook dan kom ik zeker te laat.”
“Vuur opstoken,” Terra keek Worm verbaasd aan, “nee waarom zou je het vuur moeten opstoken.”
Nou, wat moet ik hier dan mee?” vroeg Worm, terwijl hij de stok omhoog hield.
“Dat is De Staf,” zei moeder Terra plechtig.
Worm keek haar schaapachtig aan.
“De Staf, noem je deze oude stok een staf?” zei Worm.
“Ja, ja zeker, maar niet een staf. De Staf. Ik heb hem jaren geleden van meester Dent gehad, maar niet voor mezelf, oh nee. Meester Dent zei dat ik deze staf aan jou moest geven als je er oud genoeg voor was. Nou en eh, ik dacht vanmorgen. Vandaag is Worm oud genoeg.,” zei Terra.
Worms mond viel open van verbazing.
“Heeft meester Dent deze stok,”
Terra keek Worm vuil aan.
“nou goed staf dan, aan jou gegeven om hem weer aan mij te geven? Maar hij heeft tegen mij nooit iets van een staf gezegd, nooit,” zei Worm een beetje geërgerd.
“Nee, heeft hij nooit iets gezegd. Oh nou dat kan best. Het was ook geheim, een groot geheim. Of nou ja laat nou maar.” antwoordde Terra. Ze sloeg haar ogen ten hemel en mompelde: “De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.” Zo dus voort nu naar school, genoeg gevraagd,” zei ze weer veel luider.
Worm werd helemaal gek van de uitspraak dat de dingen waren zoals ze waren en daarom zo waren. Hij vond helemaal niet dat de dingen waren zoals ze waren en dat dat kwam omdat ze zo waren. Hij wilde weten waarom dingen waren zoals ze waren. Maar hij zei niks want hij wist dat hij Terra daar groot verdriet mee deed en dat wilde hij niet. De Grobben beschouwden de uitspraak als de diepste wijsheid en eraan twijfelen was heiligschennis, waardoor je de wrok van de Deemsterwicht over jezelf en je dorpsgenoten afriep.
Terra bleef Worm intens aankijken.
“Waarom kijk je me zo raar aan, moeder Terra,”vroeg Worm.
Pats, Worms oor werd gelijk rood en begon te tintelen.
“Au,” riep hij.
“Ik kijk niet raar,” brutale jong, let op je woorden, zei moeder Terra scherp,”maar eh, voel je niks geks, doen je handen geen zeer?”
“Nee, mijn oor doet zeer net mijn handen. Het gloeit helemaal,” antwoordde Worm. Voor hij de woorden helemaal had uitgesproken wist hij dat zijn andere oor ook zou gaan gloeien.
Moeder Terra stelde hem niet teleur. Pats.
“Dat bedoelde ik niet, Worm”, zei Terra kribbig, “ik bedoelde voel je niks geks aan je handen?”
Worm schudde zijn hoofd. Dat leek hem verstandiger dan nog een draai om z’n oren te riskeren. De meeste Grobbenmoeders sloegen hun kinderen nooit met hun blote handen. Ze gebruikten een flink eind hout. Moeder Terra was een schat.
Nu schudde Terra ook met haar hoofd. “Verduvelde hekserij,” mompelde ze.
Worm keek haar verbaasd aan. Wat had ze toch vanochtend? Wat was “verduvelde hekserij”? Worm begreep het niet maar hij besloot zijn moeder niet verder lastig te vallen met vragen. Grobben hadden een hekel aan vragen. Wat viel er te vragen: De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.
“Nou, dan ga ik maar,” zei Worm, “anders kom ik echt …
Eh, eh eh”, er schoot een brok in Worm keel te laat.”
De laatste woorden kwamen uit zijn mond alsof hij met zijn hoofd in een holle boom stak. Er ging een siddering door Worm heen. Voor hem stond een klein miezerig onbeduidend wezen. Toen verdween dat beeld even snel als het gekomen was. Voor hem stond Terra. Ze keek Worm met grote ogen aan.
“Ze lijkt wel bang,” dacht Worm, “doodsbang!”
“Ja, eh nee, nee,” stotterde Terra, “ik moet je nog wat zeggen. Meester Zetsnor heeft met vader Knoest gespraat, Worm en meester Zetsnor heeft hem gezegd dat hij heel ontevreden over je is. Je bent brutaal en onwillig en meester Zetsnor zegt dat er niks van je terecht komt. Hij heeft aan vader Knoest gevraagd je elke dag een flinke aframmeling te geven tot je je gedrag veranderd. Hij zal dat op school ook gaan doen.”
Worm keek zijn moeder geschrokken aan.
“Elke dag,” vroeg hij angstig, “maar als vader Knoest me een afranseling geeft slaat hij me zo dood als een pier.”
“Nou ja vader Knoest kan ook wel wat zachter slaan”, zei Terra bemoedigend dat deed hij vroeger bij Boombast ook.
“Boombast”, zei Worm kwaad, die z’n hoofd is zo hard als ijzerhout.”
“Worm,” zei Terra boos, “je hebt het aan jezelf te danken. Je bent brutaal en je wil altijd meer weten.”
Worm wilde woedend reageren en schreeuwen dat hij helemaal niet brutaal was maar dat meester Zetsnor zo stom was als het achtereind van een donderzwijn, maar hij hield zich in. Het had geen zin. Terra bedoelde het goed maar de dingen waren zoals ze waren en daarom waren ze zo. Dus waarom al dat vragen.
“Ik zal heel erg mijn best doen, moeder Terra,” zei Worm,” zo onderdanig mogelijk, en nooit meer brutaal zijn of een vraag stellen. Je hoeft echt niet ongerust te zijn. Nou dag.”
Moeder Terra lachte haar bruine tanden bloot.
“Goed Worm, goed. Ga nu maar vlug.”
“Ik groet je moeder Terra, moge de dingen blijven zoals ze zijn, zei Worm.
“Ik groet je, Worm zoon, zoals de dingen zijn zijn ze goed.” antwoordde Terra.
Toen draaide ze zich snel om, waardoor Worm de tranen niet zag die in de ogen van zijn moeder verschenen.
Worm stapte het huisje uit en volgde het modderige pad naar het dorpsplein waaraan de school lag.
Hij probeerde zo veel mogelijk de modderplassen te ontwijken om niet met vieze schoenen de school in te stappen. Dan zou meester Zetsnor al direct een aanleiding hebben om hem op z’n kop te geven.
Worm nam de houten staf in allebei zijn handen en bekeek hem eens goed. Hij had van meester Dent heel wat over houtsoorten geleerd. Nou ja, meester Dent had zijn best gedaan. Voor Worm was hout vooral hout. In de winter had het als grootste voordeel dat het kon branden en daarmee warmte afgaf, maar houtsoorten herkennen ging Worm boven zijn pet. Toch wist hij zeker dat hij dit hout nog nooit gezien had. Het was heel donker bijna zwart en het glom alsof iemand er dagelijks op gepoetst had. De staf was knoestig en alles behalve recht maar eigenlijk op de een of andere manier wel mooi. Hij lag ook lekker in de hand.
“Misschien wil Boombast me wel leren stokvechten,” dacht Worm, “dat wil hij vast wel. Hij zegt altijd dat ik van me af moet bijten . Nou, dan komt die staf me misschien toch wel van pas. Het was nu helemaal licht maar het was nog steeds hartstikke koud. Ondanks Worms dikke mantel rilde hij.
Worm wikkelde zijn mantel stevig om zich heen en trok de kap over zijn hoofd. Hij keek benauwd om zich heen. Hij voelde zich nooit erg op zijn gemak als hij naar school liep. Soms kwam hij Schorsnagel of een van zijn vriendjes al op weg naar school tegen en dan begon het gedreig en gesar direct.
“Hé Worm.”
Worm keek geschrokken naar rechts waar de stem vandaan kwam.
Over het paadje kwam Drommel aanlopen. Worm haalde opgelucht adem. Worm mocht Drommel wel. Drommel was een echte groene Grobbe, maar hij was veel dunner en kleiner dan de andere Grobbenjongens. Bij Worm kwam hij maar net tot aan zijn schouder. Hij was ook niet zo’n vechtersbaas. Normaal zou hem dat net als Worm tot slachtoffer van de andere Grobbenjongens hebben gemaakt, maar Drommels vader was Houthak, het dorpshoofd. Houthak was niet alleen groot en sterk m zelfs voor een Grobbe maar hij was vooral dorpshoofd en stond op goede voet met de soldaten die elke negendag de gekapte boomstammen kwamen ophalen. Als er niet genoeg bomen waren, werd een Grobbe uitgezocht die als slaaf met de soldaten mee moest. Nooit was er één van de meegenomen Grobben teruggezien Houthak bepaalde wie de ongelukkige was. Je kon dus maar beter op goede voet met hem staan.
Ik groet je,Worm, moge de dingen blijven zoals ze zijn. Hé, wat heb jij nou in je hand?” vroeg Drommel.
Ik groet je Drommel, zoals de dingen zijn zijn ze goed. Oh, dat. Dat is een staf van moeder Terra gehad,” antwoordde Worm.
“Wat mot je daar nou mee?” vroeg Drommel nieuwsgierig.
Worm haalde zijn schouders op, maar gaf geen antwoord.
Drommel kwam vlak naast Worm lopen. Zonder Worm aan te kijken zei hij: “Worm je mot uitkijke, Schorsnagel heeft gezworen dat hij je te grazen gaat neme. Echt te graze. Aardkorst en Boombloed hebben geroepen dat ze hem gaan helpen, maar misschien zijn er nog wel meer. Ze hebbe gezworen al het heksengebroed uit te roeien.”
“Bedankt, Drommel, ik zal oppassen,” zei Worm
Drommel knikte: “Zou ik zeker doen, Worm, zou ik zeker doen. Nou sterkte en tot kijk, Worm Oh eh je denk toch niet dat dat stuk hout je gaat hellepe hè? Ik bedoel as ze je te graze neme? Dan slaan ze je met je eige stok tot moes.”
Worm stak schudde zijn hoofd en stak zijn hand op.
“Dag, Drommel.”
“Ik groet je Worm.” Drommel maakte zich al uit de voeten, terwijl hij de rest van de afscheidsriedel nog voor zich uit prevelde.
Worm keek Drommel na.
“Zelfs hij is bang dat Schorsnagel hem met mij ziet praten. Verdorie, waarom hebben die idioten het op mij voorzien?” dacht Worm
Maar eigenlijk wist Worm het wel. Schorsnagel en zijn vrienden hadden een hekel aan alles wat anders was. Daarbij kwam dat meester Zetsnor had gezegd dat Worm nog het meeste leek op de heksen uit het noorden. En wie dat ook mochten zijn, de Grobben waren er als de dood voor. Iemand die op zo’n gruwelijk wezen leek moest zelf ook wel slecht zijn. Maar sinds die tijd was het pesten alleen nog maar erger geworden.
Worm versnelde zijn pas om zo snel mogelijk op het dorpsplein te zijn. Hij gebruikte de staf om over de vele waterplassen en modderpoelen die het paadje bijna onbegaanbaar maakten heen te springen. Dat ging lekker en zo kwam hij al snel op het plein

De school was niet veel meer dan een schuur die aan de rand van het dorpsplein stond. Op de begane grond van het gebouwtje was een leslokaal en een halletje. Op de zolder woonden meester Zetsnor en zijn vrouw Kenau.
Worm veegde voor hij de school binnenging zorgvuldig zijn schoenen. Hij had geen zin om al direct het aan de stok te krijgen met Zetsnor omdat hij het klaslokaal bevuilde met moddervoeten. Hij hing zijn mantel aan een haakje en zette zijn staf er tegen aan.
Hij liep het lokaal binnen. In het lokaal stonden twee grote ruwhouten tafels met eenvoudige banken ervoor. Verder was er een lessenaar en een groot zwart geverfd bord. Meester Zetsnor stond achter de lessenaar. Hij keek Worm over zijn brilletje aan maar zei niets. Hij bleef net zo lang naar Worm kijken tot hij op het uiterste hoekje van een van de twee tafels ging zitten zover mogelijk bij meester Zetsnor vandaan. Worm was de eerste leerling in het lokaal maar al snel volgden er meer. Ook Drommel kwam binnen. Hij keek Worm niet aan en ging helemaal aan het andere eind van de andere tafel zitten.
In korte tijd kwamen de andere leerlingen het lokaal binnen.
Meester Zetsnor liep naar de deur en trok hem dicht, terwijl hij zich naar de klas omdraaide zei hij: “Goede morgen, Ik groet jullie, stelletje lapzwanzen. Zitten en koppen dicht. Moge de dingen blijven zoals ze zijn”
De leerlingen in het klaslokaal keken verbaasd op. Meester Zetsnor was in een goede bui. Dat kwam niet vaak voor. Beter gezegd nooit. Meester Zetsnor begon de schooldag altijd met: “Ik groet jullie stelletje lapzwanzen. Zitten en koppen dicht. Moge de dingen blijven zoals ze zijn”
Maar “Goede morgen” hadden de leerlingen meester Zetsnor nog nooit horen zeggen en normaal sloeg hij bij het uitspreken van zijn begroetende woorden keihard met zijn aanwijsstok op de lessenaar. Ook dat ritueel bleef nu achterwege. De Grobbenleerlingen keken elkaar aan. Ze schuifelden wat onrustig heen en weer. Ook Worm was het opgevallen dat meester Zetsnor iets vriendelijks had gezegd. De onrust duurde maar even als snel trokken de Grobbenkinderen zich er niets meer van aan en gingen gewoon door met dat waarmee ze bezig waren. Ze waren de woorden van Zetsnor alweer vergeten.
Opeens klonk er een hoop kabaal bij de ingang van de school. Vrijwel onmiddellijk werd de deur van het lokaal met een enorme zwaai open gegooid. Luid stampend kwam Schorsnagel het lokaal binnen. Hij kwakte de deur minstens zo hard dicht als hij hem had opengegooid.
“Ik groet je, Schorsnagel, moge de dingen blijven zoals ze zijn”, zei meester Zetsnor. Hij zei niets over het te laat komen. Nu wisten de leerlingen wel dat meester Zetsnor bang voor Schorsnagel was. Trouwens wie was niet bang voor hem. Schorsnagel was zelfs voor een Bosgrobbe gewelddadig.
Schorsnagel zei niets terug. Hij keek het klas lokaal rond en ging aan de andere tafel naast Drommel zitten.
Schorsnagel zat nog maar net toen hij weer ging staan en een enorme wind liet. Triomfantelijk keek hij het lokaal rond.
“Ik groet jelui, riep Schorsnagel luid, moge de dingen zijn zoals ze blijven.”
De andere Grobbenkinderen keken hem goedkeurend aan en sommige lachten hem toe. Meester Zetsnor bleef achter zijn lessenaar staan en keek naar zijn leitje dat hij voor zich had. Hij zei niets.
Worm voelde dat Schorsnagel naar hem keek. Worm lachte niet. Hij vond het dagelijkse windritueel te stompzinnig voor woorden maar het was nou ook weer niet nodig om Schorsnagel uit te dagen.
Worm bleef naar zijn schoenen staren tot hij het idee had dat Schorsnagel niet meer naar hem keek.
Schorsnagel ging weer zitten en liet een galmende boer. Weer oogstte hij goedkeurende blikken en gelach van de andere kinderen.
Meester Zetsnor tikte op zijn lessenaar. Hij zette zijn brilletje nog eens recht op zijn neus en wilde net zijn mond open doen toen de deur opnieuw open vloog.
“Môgge meester, môgge allemaal,” schreeuwde een uitzonderlijk dikke Grobbe toen hij het lokaal binnen denderde, “moge de dingen waren zoals ze zijn blijven.”
“Nee Aardkorst, het is “moge de dingen blijven zoals ze zijn,” zei meester Zetsnor verstoord,
“Ja, meester dingen zijn blijve ware, weet ik veel, eh, meester, ik ben een beetje laat,”zei Aardkorst vrolijk. “
“Je bent altijd te laat, Aardkorst. Ga zitten en houd je waffel verder dicht.”
“Ja meester,” antwoordde Aardkorst braaf, hé Schorsnagel gaat ie lekker. Hebbie je scheet al gelate?”
Meester Zetsnor reageerde niet.
“Dat zou ik eens moeten proberen,” dacht Worm, “ dan zou hij me het hele dorp door slaan met zijn aanwijsstok. Maar ja, Aardkorst is de beste vriend van Schorsnagel en ik niet.”
Aardkorst liep naar Schorsnagel en wurmde zich tussen Wortelneus en Schorsnagel in.
“Hé”, protesteerde Wortelneus, “ik zit hier. Lazer op.”
“Mot jij een tik met me knuppel, Wortel of hou je gewoon je bek.”, vroeg Aardkorst vriendelijk aan Wortelneus.
Wortelneus wilde net met zijn rechtervuist Aardkorst van antwoord bedienen toen meester Zetsnor ingreep.
“En nu is het afgelopen,” kraste hij hees, “er wordt hier niet gevochten. Jullie houden allebei je mond dicht.”
“Ja meester,” zei Aardkorst schijnheilig, “maar hij begon inene te schreeuwe tege mijn.”
Wortelneus liep oranje aan. Hij deed zijn mond al open om te protesteren toen Schorsnagel zich over Aardkorst heen boog en tegen Wortelneus fluisterde: “Hebbie wat in je ore? Bek houe, zei de meester.”
Wortelneus keek Schorsnagel woedend aan maar hij hield wel z’n mond dicht.
“Zo klas”, kraste meester Zetsnor, “vandaag ga ik jullie leren tellen.”
“Oh nee niet weer,” dacht Worm. Minstens één keer per week startte meester Zetsnor met deze openingszin en elke keer weer begon hij de Grobben van één tot tien te leren tellen. Niet dat dat hielp. De meeste kwamen echt niet verder dan 5. Een enkeling haalde 8 of 9 maar het getal 10 was voor een Grobbengeest een stap te veel.
“Meester, meester,”schreeuwde Aardkorst, “ik ken al telle. Kijk maar.
“Eh, één, eh twee, drie, vier eh, eh zes.”
“Nee stomme idioot na vier komp vijf,” brulde Schorsnagel, “je bent nog stommer dan een donderzwijn Aardkorst. Eh, je bent nog stommer dan die roze slijmprop. Meester mag ik hem een dreun geve Hij heb et verdiend.”
Worm keek angstig in de richting van Schorsnagel. Hij wist maar al te goed dat Schorsnagel hem bedoelde met “roze slijmprop”.
“Nee, Schorsnagel, er wordt in de klas niet gedreund,” zei meester Zetsnor zenuwachtig.
“Dat was helemaal niet slecht Aardkorst, maar Schorsnagel heeft gelijk, Aardkorst na 4 komt 5 en niet 6.”
“Oh,” onderbrak Aardkorst hem met een huilerige stem, “dus ik ben een stomme idioot? Nog stommer dan die roze slijmprop.”
“Nee, Aardkorst, zei meester Zetsnor, “dat wilde ik helemaal niet zeggen. Ik wilde …”
“Wat nou, wat nou,” schreeuwde Schorsnagel, “hij is wel een stomme idioot hij ken niet eens tot vijf telle.”
“Meester, vraag es an die roze slijmprop om te telle,” vroeg Aardkorst, “die ken helemaal niet telle nog nie eens tot twee.”
Aardkorst keek glunderend naar Worm. Hij stootte Schorsnagel naast zich aan.
“Nou, roze slijmprop, laat hore dan. Wach, ik zal je hellepe. Één … Nou jij.”
Worm keek naar meester Zetsnor. Hij hoopte dat meester Zetsnor hem zou helpen maar eigenlijk wist hij wel beter.
“Goed, Worm,” zei meester Zetsnor, “laat maar horen dan.”
Worm kon nu twee dingen doen of zich als een idioot gedragen en net doen alsof hij niet verder kon tellen dan twee of laten zien dat hij wel verder kon tellen. Hij had het idee dat wat hij ook deed meester Zetsnor toch wel woedend op hem zou worden.
“Één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, “ telde Worm en keek meester Zetsnor aan.
Meester Zetsnot schudde zijn hoofd.
“Als ik het niet dacht,” zei hij kalm, “na drie komt vier Worm en na zeven komt acht.”
Worm keek meester Zetsnor met grote ogen aan. Hij wist dat het dom zou zijn om meester Zetsnor tegen te spreken. Worm wist ook dat protesteren tegen het onrecht dat hem werd aangedaan helemaal geen zin had. Sterker dat protesteren het alleen erger zou maken. Dus hield Worm zijn mond dicht.
Meester Zetsnor liep naar Worm toe en kwam vlak voor hem staan. Hij boog zich voorover
Hij kwam met zijn gezicht vlakbij Worms gezicht. Worm rook de vieze zure lucht dit uit meesters mond kwam. Het maakte hem bijna misselijk.
“Nee, nou weet je niks te zeggen, hè. Nou ben je niet zo slim. Anders weet je het toch zo goed Waarom nu dan niet hè hè. Heeft die oude gek in het woud je dat niet geleerd? Nee hè.”
Er ontstond wat rumoer in het lokaal. Nu ging meester Zetsnor wel erg ver. De oude Dent een gek noemen was ongehoord. Kijk hij was natuurlijk zo gek als een woudfluiter maar hij scheen ook te kunnen toveren. Voor je het wist was je een kikker.
“Koppen dicht”, brulde meester Zetsnor.
“Altijd weer die roze slimmerik,” siste meester Zetsnor, “ga maar tegen die oude woudling vertellen dat ik hem een gek heb genoemd. Doe dat maar.”
Met grote passen beende meester Zetsnor terug naar zijn lessenaar voor de klas. Plotseling draaide hij zich weer om en keek Worm strak aan.
" Wat heb ik net gezegd," brulde hij opeens door het lokaal.
" Wat heb ik net gezegd, nou?" Worm had geen idee. Elk antwoord dat hij zou geven was verkeerd en dan was het helemaal mis. Dus hij zei niets.
“Oh ons slijmpropje is nog steeds zijn tong kwijt. Slijmpropje weet niets meer te zeggen,” siste meester Zetsnor, hierbij sproeide hij een fijne druppels speeksel door het lokaal heen.

Worm kreeg het warm. Hij wist dat hij nu zijn mond moest houden maar dat kon hij niet meer.
“Ik zei vier na drie en ik zei ook acht na zeven,” sprak hij hees van woede.
“Oh, dus ik ben doof, hè? Bedoel je dat soms, antwoordde meester Zetsnor woedend, “jij hebt niet verkeerd geteld maar ik heb niet goed geluisterd. Bedoel je dat soms?”
“Nee,” zei Worm, “dat bedoelde ik niet. Ik bedoelde alleen dat ik wel goed telde. Dat bedoelde ik.”
Toen kreeg Worm opeens een buitengewoon slecht idee. Zonder over de gevolgen na te denken begon hij opnieuw te tellen.
“Één, twee, drie, vier, vijf,” Worm ging steeds sneller tellen, “zes, zeven.”
“Stop,” brulde meester Zetsnor, “wie heeft jou gezegd …”
Maar Worm telde ondertussen gewoon door.
“Acht, negen, tien,” even hield hij op, “maar toen ging hij verder, “elf, twaalf, dertien.”
Er steeg een angstaanjagend gebrul uit de klas op. Sommige Grobbekinderen begonnen te schreeuwen, andere sloegen hun handen voor hun ogen.
Maar Worm telde onverstoorbaar door al kon hij zichzelf bijna niet meer verstaan.
“Meester, meester,”gilde Aardkorst, “dat ken nie, na tien komp veel. Dat hebbie zelf gezegd. Dat pik de Deemsterwicht niet. Dat pikkie niet. Dat zeg me pa ook altijd. Die roze slijmprop brengt ongeluk. Die jaag de Deemsterwicht tegen ons op.”
De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo
Opeens stond Aardkorst op en met hem ging ook Schorsnagel en Wortelneus staan. Ze stapten met grote stappen op Worm af. Terwijl Worm gestaag door telde:
“Vierenveertig, vijfenveertig.”
Opeens stonden er vier Grobbejongens om Worm heen. Ook Boombloed was erbij gaan staan.
“Hé roze modderkruiper,” grauwde Schorsnagel, “hé roze modderkruiper, je mot opdondere naar je eige mammie. Niet naar Terra, maar opdondere, snappie. Terra is je mammie helemaal niet. Ze heb je allenig maar gevonde. In de stront laggie. Opdondere. We motten je hier niet vuil heksejong.”
Schorsnagel had waarschijnlijk nog nooit zoveel woorden achter elkaar gezegd en de laatste woorden spuugde er meer eruit dan dat hij ze sprak.
Worm telde stug door. Hij keek niet op naar zijn belagers. Hij wist dat hij klappen zou krijgen. Veel klappen. Hij wist zeker dat meester Zetsnor hem niet zou helpen.
Schorsnagel greep Worm in zijn kraag en trok hem achterover van zijn bank af. Aardkorst haalde uit om Worm de eerste schop te verkopen. Maar voordat Aardkorst Worm kon raken vloog hij opzij. Meester Zetsnor had Worm nog nooit geholpen. Nu had hij Aardkorst een zet gegeven en stond hij tussen Worm en de drie Grobbejongens in.
Schorsnagel had Worm nog steeds bij zijn kraag vast.
“Laat hem los,” siste meester Zetsnor tegen Schorsnagel, “laat hem onmiddellijk los. Dit varken was ik zelf. Daar heb ik een stelletje snotneuzen van Grobben niet voor nodig.”
Schorsnagel keek verbaasd naar meester Zetsnor.
Maar, meester,” begon hij.
“Loslaten heb ik gezegd, ben je soms doof.”
“Nee”, zei Boombloed, “we late hem nie los. We slaan hem tot pap, roze modderpap. Hè Schorsnagel, ja toch.”
“Oh ja,” zei meester Zetsnor gemeen, “sla hem maar dood. Maar wat denken jullie dat er dan gebeurt. Deze week komen de houthalers en die kunnen altijd slaven gebruiken. Als jullie hem doodslaan, staan jullie over een paar dagen op de markt in Overdonder met een stalen band om je nek.”
Schorsnagel liet Worm los.
“Ik zal het tegen me vader zegge, zei Schorsnagel oranje van woede, “ dat de meester de roze slijmprop heb gehollepe. Dat heksejong heb de Deemsterwicht tegen ons opgestookt, meester dat zal me vader niet leuk vinde.”
Meester Zetsnor haalde zijn schouders op.
“Je vader doet maar, Schorsnagel. Vertel hem ook even dat de houthalers binnenkort komen. Wordt ie wat rustiger, denk ik.” Meester Zetsnor grijnsde naar Schorsnagel, die snel een stap terug deed.
Worm snapte er niets meer van. Waarom had meester Zetsnor hem geholpen?
Hij werd echter snel uit zijn droom gehaald.
“Je denk toch niet dat ik je geholpen heb, hè, heksenjong?” zei meester Zetsnor schor, “je gaat je deze dag nog lang heugen, heksenjong, heel lang. Meekomen.”
Meester Zetsnor greep Worm bij zijn arm en sleurde hem over de grond naar de deur van het lokaal.
“Ik heb niks gedaan,” zei Worm met een zwak stemmetje.
De andere Bosgrobben in de klas riepen nu onder aanvoering van Schorsnagel en Aardkorst: “We motte je niet, modderkruiper. Ik zou maar make dat je wegkomp anders pakke we je.
“Ja, Worm, modderkruiper, we pakke je straks, hoor ie dat”, siste Boombloed.
Terwijl meester Zetsnor Worm het lokaal en de school uitsleurde, hoopte Worm dat hij opeens in een reusachtige Woudridder zou veranderen en dat hij meester Zetsnor en de Grobbenkinderen gillend van angst voor zich uit zou jagen. Ach, eigenlijk zou een Groene Knauwer ook al goed zijn. Groene Knauwers waren dol op Bosgrobben en Worm had er helemaal geen bezwaar tegen als die etterbakkies één twee drie in de maag van zo’n woudmonster zouden verdwijnen. Maar Worm bleef natuurlijk gewoon Worm.
Worm en meester Zetsnor waren inmiddels achter de school terechtgekomen, waar een enorme dikke vrouw naast een grote houten wastobbe ze aan stond te staren. Het was duidelijk dat de vrouw bezig was geweest met de was.
“Wat hebbie nou weer uitgevroten, man,” zei ze met een schril meisjes stemmetje.
Worm was iedere keer weer verbaasd dat er uit zo’n enorme klomp vlees zo’n stemmetje te voorschijn kon komen.
“Hij heeft me beledigd, vrouw, zwaar beledigd. Mijn geduld is op. Ik wil hem niet meer in de school hebben.” Zei meester Zetsnor.
Ooh, wat een schooier, piepte, de vrouw wat een onderkruiper. We moeten hem straffen man streng straffen, voordat je hem wegstuurd.
Worm kon aan het gezicht van de vrouw zien dat het idee van streng straffen haar wel beviel. Ze genoot er zichtbaar van.
“Ik heb niks gedaan,” probeerde Worm nog maar eens, “ik heb u helemaal niet beledigd.”
Oh, man hoor je dat. Hij is nog brutaal ook. Dat onderkruipsel is brutaal. We kunnen hem eerst in het sop hier duwen. Met z’n kop onder water net zo lang tot ie niet brutaal meer is.”
De vrouw deed al een stap naar voren om Worm te pakken en haar idee uit te voeren, maar meester Zetsnor hield haar tegen.
“Nee, Kenau dat doen we niet. We pakken het dit keer goed aan. Hij heeft namelijk niet alleen mij maar ook de Deemsterwicht beledigd. In ieder geval dat denken die achterlijke wezens hier.
“Luister, “ging meester Zetsnot verder, “ik moet terug naar de klas voor dat addergebroed de hele tent afbreekt. Jij stopt dit heksenjong in het kolenhok en je zorgt dat hij er niet uit kan komen.”
Kenau knikte.
“Kom maar mee addergebroed,” siste ze tegen Worm, “dan stop ik je lekker in ons warme kolenhokje.” De grijns die ze tegelijkertijd op haar gezicht toverde stelde Worm weinig gerust. Meester Zetsnor had het gezicht van zijn vrouw echter ook gezien.
“Nee, Kenau, ik wil dat je hem gewoon opsluit. Hij moet heel en ongeschonden blijven, snap je,” zei hij tegen zijn vrouw.
Kenaus grijns verdween van haar gezicht om plaats te maken voor een blik van ernstige teleurstelling.
Ach, man een beetje hete pook doet wonderen, dat weet je en je ziet er bijna niks van, zei ze met haar pieperige meisjesstemmetje.
“Nee, Kenau. Heel blijven moet ie. Ook op zijn kont. Dat is het eerste waar die eh, nou ja. Je hebt me gehoord,” zei meester Zetsnor
“Nou goed dan, je zal het wel weer beter weten, meneer de schoolmeester,” mompelde Kenau in zichzelf, “je weet het altijd beter of dat denk je in ieder geval.”
Kenau greep Worm bij zijn kraag en sleurde hem naar een oud houten kot dat een meter of tien achter de school tussen de bomen stond.
Wat bedoelde meester Zetsnor met “ook op zijn kont” en “dat is het eerste”,”dacht Worm angstig bij zichzelf. Hij kon het zo één twee drie niet plaatsen.
“Bukken”, krijste Kenau tegen hem toen ze hem het lage deurtje van het kot doorduwde. Ze had haar meisjesstemmetje ingeruild voor het geluid van een overspannen reiger.
Kenau duwde Worm zo hard het kotje in dat hij struikelde en languit voorover op zijn gezicht viel. Het leek hem verstandiger zo maar even te blijven liggen tot vrouw Kenau verdwenen was.
Achter zich hoorde hij Kenau nog wat mompelen. Ze was kennelijk nog steeds erg teleurgesteld dat ze Worm niet met haar hete pook had mogen bewerken. Toen sloeg het deurtje met een klap dicht en hoorde Worm hoe een balk aan de buitenkant voor de deur geschoven werd. Hij bleef alleen in het donker achter.

“Zouden Knoest of Boombast me komen halen?”, dacht Worm, Terra zal het wel willen maar als ze horen wat ik gedaan heb, laten ze me hier misschien wel een nacht blijven om me een lesje te leren.”
Worm was overeind gekropen en in het hoekje van het kot tegen de houten wand gaan zitten. Zo bleef hij zitten. Hij had geen idee hoe laat het was. Toen hij het kotje was ingesmeten was het nog ochtend geweest. Er moesten nu al uren verstreken zijn. Door de kieren in de wanden sijpelde wat licht naar binnen dus de avond was nog niet gevallen.
Hij moest in slaap zijn gevallen, want toen hij wakker werd waren de lichtstrepen verdwenen. Het was nu echt volledig donker en het was koud. Worm dacht aan zijn mantel die nog in het halletje van de school hing en aan zijn stok die hij die ochtend van Terra gehad had. Aan de stok had hij niets maar de mantel zou hij goed kunnen gebruiken.
“Au,” Worm greep naar zijn hoofd. Iets had hem flink hard tegen zijn hoofd geraakt. “Wat is dat,”riep Worm vertwijfeld, “wie doet zo …?”
Toen zag hij de stok voor zich liggen of liever de staf, zijn staf. Iemand had de staf door een kier in de muur naar binnen gegooid en hem ermee precies op hoofd geraakt. Worm wreef over zijn voorhoofd en voelde dat er al een aardige bult begon te groeien. Hij dacht dat hij buiten voetstappen hoorde, maar het geluid verdween snel. Degene die hem de stok tegen zijn kop had gegooid, had snel de benen genomen.
“Dat heb ik weer”, dacht Worm, “bedenk ik me net dat ik mijn mantel wel graag zou hebben, krijg ik mijn stok tegen m’n kop gesmeten.”
“Bedankt hoor”, schreeuwde hij gefrustreerd.
Op dat moment werd er aan de balken die de deur dichthielden gemorreld. De deur van het kot vloog met een ruk open en het hoofd van meester Zetsnor verscheen in de opening. Worms hart sloeg van schrik een slag over. Hij voelde hoe angst zijn maag in de knoop legde. Zijn keel werd droog. Onwillekeurig nam hij de staf in zijn handen en hield hem voor zich alsof hij zich achter zo’n dunne stok zou kunnen verbergen. Hij voelde een warme tinteling door zich heen trekken.
“Het lijkt wel of ie warmte geeft,” dacht Worm.
Tegelijkertijd voelde hij zijn angst verdwijnen. Er kwam iets anders voor in de plaats. Iets donkers, iets hards. Worm wachtte af
“Ben je nou helemaal bedonderd,” snauwde meester Zetsnor, “om hier een beetje te gaan zitten schreeuwen. Iedereen kan je horen. D’r uit, ik weet wel een betere plek om je op te bergen.”
Worm stond langzaam op. Hij bleef de staf voor zich houden. Het vreemde gevoel trok als een kille golf door zijn lichaam.
“D’r uit,” zei ik, “kom op, ik heb niet de hele dag de tijd.”
Meester Zetsnor deed een stap naar voren en keek om zich heen. Worm zag dat zijn ogen zowat uit z’n kassen puilden.
“Hè,” gromde meester Zetsnor, “hoe kan dat nou? De deur was nog op slot en ik hoorde hem net toch nog. Hoe kannie dan ontsnapt zijn?”
Meester Zetsnor deed een stap verder het kot in.
“Kom maar tevoorschijn, heksenjong. Je maakt het alleen maar erger voor jezelf. Je kan je toch niet blijven verstoppen.”
Worm was nog verbaasder dan meester Zetsnor. Hij stond recht voor de man en toch kon hij hem blijkbaar niet zien.
“Ik ben onzichtbaar,” drong het tot Worm door, “de staf maakt me onzichtbaar.” Het kille gevoel had nu heel zijn wezen doortrokken.
“Één klap met mijn staf is genoeg,” dacht Worm, “één klap en ik heb nooit meer last van die gemene blaaskaak.”
Hij greep de staf steviger vast en bracht hem snel omhoog.
Op dat moment begon meester Zetsnor triomfantelijke te schreeuwen.
“Aha, daar ben je, modderkruiper, hier jij!” riep meester Zetsnor. Toen zag hij pas dat Worm een zware stok tegen hem ophief.
“Oh, je wilt je oude meester ….” Maar verder kwam hij niet. Worm liet de staf met alle kracht neerkomen. Er klonk een enorme klap, alsof een enorme woudreus zojuist was omgehakt. De aarde sidderde. De klap werd gevolgd door een luid gekraakt en de wanden van het houten kot vielen om alsof het een kaartenhuisje was geweest.
Meester Zetsnor keek Worm verstijfd van schrik met wijd open ogen aan. Zijn haren stonden recht overeind en door de luchtdruk die de klap blijkbaar veroorzaakt had hingen zijn kleuren als gescheurde vodden om zijn lichaam. Zijn mond stond op maar er kwam geen geluid uit.
Het leek alsof de tijd om Worm heen ook stilstond. Na het gekraak van het instortende houten kot was het doodstil geworden. Worm keek naar meester Zetsnor. Hij had hem gemist. Op de één of andere manier was de slag met de staf niet op Zetsnors hoofd terecht gekomen maar had Worm de grond naast meester Zetsnors voeten een geweldige dreun gegeven. Worm besefte dat meester Zetsnor hartstikke dood zou zijn geweest als hij hem wel op zijn hoofd had geraakt. Hij merkte dat de kilte die bezit van hem had genomen vlak voor hij met de staf toesloeg was verdwenen. Hij voelde zich weer normaal en ook de staf voelde weer aan als een gewoon stuk hout.
“Ik was niet brutaal en dat weet u net zo goed als ik. Schorsnagel en Aardkorst zijn brutaal maar ik niet,” zei Worm.
“Nee”, piepte meester Zetsnor, “jij was helemaal niet brutaal, helemaal niet.”
“U moet Schorsnagel en Aardkorst op hun kop geven en opsluiten en niet mij.”
Ja, piepte meester Zetsnor, ja ik moet ze op hun kop geven.
“En opsluiten,” vulde Worm hem aan.
“Ja, opsluiten, ook, bevestigde meester Zetsnor.
“En nu wil ik mijn mantel hebben,” zei Worm zo vastberaden mogelijk, “die hangt nog in het halletje.”
Meester Zetsnor keek hem wezenloos aan.
“Ja, nu wil je je mantel heb …” plotseling bleef meester Zetsnor midden in de zin hangen. Zijn mond begon te trillen. Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. Toen begon het gekrijs.
Het speeksel vloog Worm om de oren. Wat meester Zetsnor allemaal uitkrijste kon hij niet goed verstaan. Er kwamen wel woorden in voor die leken op “moordenaar, heksenjong en toverkol”.
Even stopte het gekrijs. Meester Zetsnor boog zich voorover, haalde diep adem, verslikte zich en kreeg een hoestbui waardoor de huidskleur van zijn gezicht veranderde van vaalgeel in donkerpaars. Gierend probeerde de meester voldoende lucht binnen te halen om Worm een bondige samenvatting te geven van wat hij van hem vond.
Zijn armen waren met grote zwaaien en weidse gebaren vast aan het verhaal begonnen en opeens als een vaal zonnetje op een door regen verpeste dag brak ook zijn stem door
“Wel hel en verdoemenis uit mijn ogen heksengebroed..” bulderde meester Zetsnor, “ik zei uit mijn ogen, ik wil niks meer met die rotzooi van jou te maken hebben.”

Worm begreep die laatste opmerking van meester Zetsnor niet, maar hij begreep wel dat hij nu weg moest wezen. Terwijl hij zich omdraaide dacht hij angstig:
“Hoe ga ik dit tegen Knoest en Terra vertellen.”
Eén ding wist hij in elk geval zeker. Hij kon niet zonder zijn mantel thuis komen. Hij rukte zich los van de nog steeds scheldende schoolmeester en rende rond de school naar de voordeur. Hij trok de deur open en vloog het halletje binnen. Hij greep zijn mantel en wilde weer naar buiten rennen maar meester Zetsnor was hem gevolgd en blokkeerde nu de uitgang. Worm zag dat hij weer tot zichzelf was gekomen en hij stond met een gemene grijns op zijn gezicht voor Worm. Worm hief zijn staf weer op. Hij verwachtte weer de warme tinteling maar er gebeurde niets. Dat wist meester Zetsnor natuurlijk niet en die deinsde dan ook terug.
“Ja, vuile moordenaar”, siste hij, ´met een stok tegen een oude man hè dat durf je, maar wacht maar af mannetje. Er zijn anderen die wel raad met jou weten.”
Worm was niet van plan nog langer naar deze man te luisteren. Hij sprong met opgeheven staf naar voren en haalde naar meester Zetsnor uit. Meester Zetsnor sprong opzij maar net te laat. Worm raakte met zijn staf meester Zetsnors linkeroor.
De schoolmeester greep met beide handen naar zijn hoofd en begon luid te jammeren. Worm zag zijn kans schoon en zette het op een lopen. Razend snel stak hij het dorpsplein over. Er liep gelukkig niemand rond die hem tegen kon houden en al snel verdween hij tussen de bomen.
Hij bleef nog even doorrennen en bleef toen tegen een boom staan uithijgen.
“Wat nu?” dacht hij, “terug naar huis? Maar wie weet hoe Knoest zou reageren. Knoest zou vast meester Zetsnor gelijk geven. Terra zou hem zeker steunen maar kon ze tegen Knoest op?”
Worm keek naar de staf in zijn hand. Het was nu wel duidelijk dat het niet alleen maar een oude stok was, maar wat was het wel? Waar kwam deze staf vandaan en wat voor kracht lag erin verborgen. Worm had wel van meester Dent gehoord dat er magie in Westerne was, maar hij was er nog nooit mee in aanraking geweest. In ieder geval niet bewust.
“Misschien kan ik naar meester Dent gaan?”, dacht Worm, “hij heeft me wel het een en ander over deze staf te vertellen. Uiteindelijk heeft hij hem aan Terra in bewaring gegeven.”
Hij besloot echter toch eerst naar huis te gaan. Terra zou doodongerust zijn als hij niet thuis kwam. Bovendien was het niet erg veilig om zo laat in de middag nog over het pad door het woud naar meester Dent te lopen. Wie weet wat je tegenkwam.
Met veel tegenzin zette Worm zich weer in beweging. Met knikkende knieën liep hij naar hun boomhuisje. Hoe zou Knoest reageren. Waarschijnlijk kreeg hij een ongenadig pak op z’n donder of hij het nou verdiend had of niet en daarna zou Knoest hem naar meester Zetsnor slepen om zijn excuses aan te bieden.
“Ik mijn excuses aanbieden,”dacht Worm, “die gemene, vieze, oude Zetsnor, nee Zeiksnot, zoals de Grobben hem stiekem noemden, zou hem zijn excuses moeten aanbieden.”
Worm wist echter wel beter. Hij was degene die zou moeten buigen en diep ook met zijn billen omhoog en zijn broek naar beneden. Hij kon de stokslagen al bijna voelen. Nee, hè, hij koon ze horen ook en ook het geschreeuw.

Worm bleef staan. Hij had een levendige fantasie, maar dit klonk wel heel echt. Bovendien was het niet zijn stemgeluid dat geschreeuwd had maar dat van een meisje. Er klonk opnieuw een kletsende klap, alsof iemand met een stok op een stuk vlees mepte. Het vlees leefde echter maar al te duidelijk want de klap werd gevolgd door een akelig gekrijs.
Worm twijfelde. Het geluid kwam uit het woud vandaan. Het was nog licht en hij liep nog in het dorp. Toch verliet hij niet graag het pad.
Worm meende nu ook stemmen te horen.
Voor hij goed wist wat hij deed was hij al van het pad afgestapt en sloop hij in de richting van het geluid. De stemmen kwamen snel dichterbij. Worm adem bleef een moment in zijn keel steken. Hij kende die stemmen. Hij hoorde Schorsnagel met een van opwinding hese stem zeggen.
“Geef, haar nog maar een mep, Aardkorst. D’r billen worre al mooi rood. Net zo mooi rood as je haar hè, schoonheid.”
“Straks hoort iemand haar schreeuwe, “antwoordde Aardkorst, “en komme ze kijke.”
Door hun stemmen heen hoorde Worm een toenemend gekreun.
“Jij ken mooi kletse. Ik geef de klappe. Dus ze neme mij te pakke. Straks geve ze me nog an d’r dorpelinge,” zei Aardkorst angstig.
“Schijtluis,”schreewde Schorsnagel,” jij mot ook altijd de lol verpeste, hè. Geef hier die stok dan zal ik je es late zien hoe je een Woudling afrost. As ze komme kijke zijn wij weg en is zij zo dood as een luis.”
“Nee,” kreunde een doodsbang stemmetje, “nee, neeee niet doen.”
Worm hoorde Schorsnagel grinniken.
De staf in zijn hand begon te tintelen. Een warme maar tegelijkertijd kille stroom energie nam bezit van hem. Met grote stappen sprong Worm naar voren.
“Stop, laffe moddervreters,” brulde hij.
Onwaarschijnlijk snel denderde hij tussen de bomen door en zag hij Schorsnagel, Aardkorst en het Woudling meisje. Het meisje was haar gezicht naar de stam aan een boom gebonden. Haar broek hing op haar enkels en haar boezeroen was over haar hoofd heen getrokken. Worm zag dat er twee dieprode striemen over haar rug en deels over haar blote rug lopen. Links en rechts van haar stonden de twee Grobben. Schorsnagel hield een grote stok in zijn handen. Hij had hem net omhoog gebracht om het meisje opnieuw een klap te geven. Nu draaide hij zijn gezicht om en keek naar Worm die op hem af kwam rennen. Er verscheen een grijns op zijn gezicht.
“Aardkorst, kijk we krijge bezoek,” zei hij gemeen, “wat wou je met dat stokkie, roze slijmprop?”
Aardkorst gaf geen antwoord. Iets in de manier waarop Worm op hen toe kwam lopen beviel hem niet. Het leek wel of Worm helemaal niet bang was. Opeens bedacht Aardkorst dat hij nog heel veel andere dingen te doen had die niet konden wachten. Hij draaide zich om en rende weg in de richting van het dorp.
Worm rende met opgeheven staf op Schorsnagel af. Toen had hij Schorsnagel bereikt. Worms staf zoefde door de lucht. Hij raakte de stok die Schorsnagel voor zich hield. Schorsnagel ving met gemak de slag van Worms staf op.
“Au dat deed zeer, roze slijmprop, oh jee wat deed dat zeer, nu ik,” grijnsde Schorsnagel.
Hij duwde Worm tegen een boom aan en haalde direct met zijn knie uit.. Schorsnagels knie trof Worm in zijn buik. Door de pijn werd hem de adem benomen. Worm begreep er niets van. De staf deed het niet.
“Net wat voor mij, dacht Worm, krijg ik eens wat, is het weer rotzooi na twee klappen kapot.” Worm probeerde de staf voor zich te houden. Er was geen ruimte om met de staf naar Schorsnagel uit te halen. Schorsnagel liet zijn eigen stok los en greep Worms staf vast. Angst verlamde Worms denken. Hij was verloren.
“Geef dat stukkie hout maar an mij, zal ik je met je eigen stokkie doodslaan,” siste hij.
Met een ruk probeerde hij de staf uit Worms handen te trekken.
Opeens begon de staf in Worms te trillen handen. Er stroomde een onverklaarbare warmte door Worm heen direct gevolgd door het duistere, kille gevoel dat eerder Worms geest doortrokken had. De verlammende angst gleed van hem af als een veel te grote cape en een gevoel van macht kwam er voor in de plaats. Opeens besefte hij dat hij Schorsnagel zonder de minste moeite kon doden. Voor hem stond niet de woeste ijzersterke grobbejongen. Hij zag een lelijk stinkend kind voor zich. Een zielig hoopje leven. Vanuit de schaduwen in zijn hoofd leek zich een zwarte vage schim los te maken.. De duistere schim in zijn hoofd werd groter en groter tot hij al zijn denken en zijn hele wezen in beslag nam. Tot hij zelf de zwarte schim werd. vonkten twee bloedrode ogen. Worms ogen leken te gloeien als twee vuurrode kolen. Er brandde een hels vuur vlak achter zijn ogen. Ondanks hun vurige verschijning straalden zijn ogen een ijs, en ijskoude haat uit. Worms ontzetting en angst maakte plaats voor iets anders, een ander gevoel. Worm voelde dat een inmense macht zich van hem meester maakte. Het vuur brandde niet in hem; hij was het vuur. Worm lachte. Hij schaterde en het woud sidderde. Nu was het zijn beurt. Worm voelde hoe de hitte van zijn vuur zich in de staf samenbalde.
Schorsnagel keek Worm met uitpuilende ogen aan. Zijn mond ging open en dicht als de bek van een vis die op het droge licht. Zijn lippen probeerden iets van “au, heet” te roepen maar er kwam alleen maar lucht, en nog wel een hele smerige, achter zijn groene vieze tanden vandaan. Schorsnagel liet de staf los. Hij had de tegenwoordigheid van geest om snel de stok te pakken waarmee hij het Woudling meisje had afgerost en hield hem voor zich.

De ijskoude duistere energie stroomde door Worms lichaam en leek er aan alle kanten uit te willen barsten. Zijn ogen vernauwden zich en hij zag een miezerig, klein, dom grobbekind staan met een zielig stokje dat hij nu ter verdediging voor zich hield.
Worm hief zijn staf op en sloeg toe. De staf raakte de stok waarmee Schorsnagel zich beschermde. De stok brak niet gewoon maar de klap was zo immens dat de stok in tientallen stukjes uit elkaar vloog. Met een donderende klap raakte de staf de grond tussen Schorsnagels voeten. De aarde trilde, een heftige windvlaag deed de takken boven hun hoofd kraken en de bladeren ruisen. Het regende dunnen dode twijgjes en bladeren. Schorsnagel was recht achterover op zijn kont gevallen. Zijn haar stond recht naar achteren en alle krullen waren verdwenen. De luchtdruk had Schorsnagel broek van zijn kont gescheurd en zijn jasje van zijn lichaam. Hij lag half naakt voor Worm op de grond. Schorsnagel kreunde zachtjes. Worm hief opnieuw zijn staf. Hij wist dat als hij nu zou toeslaan hij Schorsnagel zou vermorzelen.
“Je gaat hem doden”, klonk een zachte stem in zijn hoofd. Het leek of de stem van heel ver kwam.
“Mooi,” bulderde Worms stem , “sterf, laffe rat.”
Opnieuw haalde Worm uit. De stem van veraf protesteerde.
“Je dood geen kinderen,” zei de stem,” het is een kind, een dom kind, maar wel een kind.”
“Een kind, poe, het zou wat”, bulderde Worm, “hij had dat meisje vermoord als ik niet had ingegrepen. Hij is een smerige laffe moordenaar.”
“En dus wil jij nu ook een smerige laffe moordenaar worden, want dat ben je als je hem nu doodslaat,” antwoordde de andere stem. De stem leek nu helemaal niet meer zo ver weg.
Worm zag Schorsnagel. Hij lag voor Worm op zijn kont. Zijn handen hield hij boven zijn hoofd en hij trilde. Worm zag het duidelijk Schorsnagel trilde als een espeblad. Worm liet de staf een stukje zakken. Op slag was het vuur dat in hem brandde gedoofd. Hij voelde de kille duisternis even snel verdwijnen als ze gekomen was.
Schorsnagel zag zijn kans schoon en krabbelde zo snel als hij kon op handen en voeten achteruit. Zonder broek maakte dat nogal een belachelijke indruk.
Worm kon er niet om lachen. Nog even voerden de twee stemmen in zijn hoofd een felle woordenwisseling zonder dat hij er zelf veel invloed op leek te hebben. De duistere, kille stem verdween echter helemaal. Worm bleef staan. Hij hield de staf nu niet meer boven zijn hoofd maar voor zijn lichaam.
Schorsnagel krabbelde overeind.
Hij keek Worm woedend aan.
“Vuil, vuil, vuil ..,” maar verder kwam hij voorlopig niet.
“De enige die vuil is ben jij,” zei Worm, “je stinkt een uur in de wind en helemaal zonder broek aan je kont.”
“Vuil heksejong,” kreeg Schorsnagel eindelijk uit zijn keel, “ik zal zorrege dat ze je gaan verbrande, verbrande hoor je.”
Worm hief zijn staf opnieuw maar de staf bleef koel. Er gingen geen sidderingen of andere duistere gevoelens door Worm heen. Geen schimmen, schaduwen of andere verschijningen. Worm besefte dat als hij Schorsnagel nu zou slaan de grobbe nog niet eens een bult op zijn hoofd zou krijgen. Worm werd weer bang. Ter compensatie slaakte Worm een weinig indrukwekkende aanvalskreet. Voor Schorsnagel was het echter genoeg. Hij draaide zich vliegensvlug om en maakte dat hij weg kwam. Hij had nog net genoeg moed om op zijn vlucht zijn broek en zijn jasje mee te grissen.
Worm draaide zich om om het meisje te helpen dat de twee Grobben aan de boom gebonden hadden, maar tot zijn verbazing was ze verdwenen. Worm keek om zich heen maar hij hoorde alleen Schorsnagel die luidt scheldend een stukje verderop zijn broek aan het aantrekken was.
“Ik moet naar huis,” dacht Worm, straks komen Schorsnagel en zijn vrienden terug en nemen ze me toch nog te grazen.”
Hij keek nog eens om zich heen of hij een spoor van het Woudling meisje zag, maar hij zag niets en hoorde alleen Schorsnagels gescheld dat van steeds verder weg klonk. Worm zette stevig de pas erin en niet lang daarna bereikte hij het huisje waar hij met Terra, Knoest en Boombast in woonde.
Wat moest hij aan Terra en Knoest vertellen? Hij kon niet helemaal niets zeggen. Meester Zetsnor zou zeker naar Knoest gaan om zijn beklag te doen over Worms gedrag.
Zou Zetsnor Knoest ook vertellen wat er daarna gebeurd was? Worm betwijfelde het. Zetsnor had zich uiteindelijke nogal belachelijk gemaakt. Bovendien deed Zetsnot nogal geheimzinnig. Worm had geen idee wat Zetsnor van plan was geweest maar hij dacht niet dat Zetsnor dat met Knoest zou willen delen. Nu hij er over nadacht, dacht hij eigenlijk niet dat Zetsnor beseft had dat er met zijn staf iets bijzonders aan de hand was. Over Schorsnagel hoefde hij zich geen zorgen te maken. Die zou niet willen dat Worm ging vertellen wat hij met het Woudling meisje van plan was geweest. Grobben hadden een hekel aan Woudlingen, maar een Woudling kind vermoorden ging zelf Grobben te ver.
Op het moment dat Worm de deur binnenstapte nam hij een besluit.
Terra stond met haar rug naar de deur gekeerd en Boombast en Knoest waren nog niet terug uit het woud.
“Ik groet je Terra moeder,” zei Worm. Hij probeerde het vrolijk te laten klinken maar om de een of andere reden had de begroeting de toon van grafrede.
Terra draaide zich om en keek Worm aan.
“Ze weet het,” dacht Worm onmiddellijk, ik hoef haar niks wijs te maken. Ze weet alles al.”
Terra staarde hem met haar kleine Grobbenogen strak aan, maar ze zei niets. Worms zoeven genomen besluit leek nu niets meer waard te zijn. Er zat niks anders op dan het hele voorval aan Terra op te biechten. Worm begon te vertellen. Hij was tot het opsluiten in et kotje gevorderd toen hij opeens stokte.
“Wie had eigenlijk die staf het kotje ingegooid?”dacht Worm. Het drong plotseling glas helder tot Worm door dat degene die hem zijn staf had terugbezorgd precies had geweten wat daarvan de gevolgen hadden kunnen zijn. Meester Zetsnor en Schorsnagel hadden allebei mors dood kunnen zijn.
“Zou het Terra zelf zijn geweest?” schoot het door Worms hoofd.
“Nou, ben je klaar of valt er nog meer te vertellen?” waren de eerste woorden die Terra sinds zijn binnenkomst sprak.
“Eh, nou ja, eh,” ging Worm moeizaam hakkelend verder, “toen eh sleurde meester Zetsnor me uit het hutje en stuurde me naar huis.” Worm zweeg en keek Terra aan.
“Dat is alles?” vroeg Terra nogmaals.
“Ja,” loog Worm,” ja, dat is eh alles.” Hij kreeg het opeens vreselijk warm en het zweet brak hem uit.
Terra knikte en draaide zich om. Terwijl ze zich van Worm afwendde mompelde ze: “De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo.”
Worm bleef aan de grond genageld staan. Hij had geen idee waarom Terra die voor Grobben heilige woorden had gemompeld. Waarschijnlijk omdat ze wist dat hij een leugenaar was en dat klopte ook. Hij voelde zich een lafaard, een verrader maar bovenal een leugenaar. Hij had het vertrouwen dat Terra altijd in hem had gesteld verraden. Ze had hem de kans gegeven de waarheid te zeggen maar daarvoor was hij te laf. Hij staarde naar de brede rug van zijn moeder en die leek met hoofdletters te bevestigen dat hij een leugenaar was.
De deur van het huisje zwaaide open.
“Ik groet je Terra vrouw,”zei Knoest met luidde stem toen hij het huisje binnen stapte. “vandaag waren de dingen zoals ze waren.” Hij werd op de hielen gevolgd door Boombast.
“Welkom Knoest man,” beantwoordde Terra de begroeting met de woorden die Grobben al sinds grobbenheugenis tegen elkaar uitspreken, ‘Moge de dingen altijd blijven zoals ze zijn, welkom Boombast zoon van me.”
“Wat schaft de pot, Terra vrouw,” vroeg Knoest terwijl hij zoals elke dag zijn zware houthakkersbijl tegen de muur zette.
“Donderknollen met aardpiepers en eikelpap toe, Knoest man,” antwoordde Terra plichtgetrouw.
“Hm,” gromde Knoest tevreden, “moge de dingen blijven zoals ze zijn.”
Worm moest kokhalzen. Hij wist zelf niet of het van angst was of van de riedel die Terra en Knoest zolang hij zich kon herinneren hadden opgedreund. Knoest vroeg elke dag, Wat schaft de pot”en elke dag schafte de pot donderknollen met aardpiepers en eikelpap toe. Zoals in elke Grobbenhuis de pot donderknollen met aardpiepers met eikelpap toe schafte, altijd elke dag opnieuw. Worm hoopte maar dat het de anderen niet was opgevallen dat hij stond te kokhalzen. Dan zou Knoest hem vast en zeker twee borden van die grauwe modder laten opeten.
Boombast zette zijn bijl naast die van Knoest, maar hij had nog niets gezegd.
Knoest keek zijn oudste zoon aan.
“Mot jij je moeder nie groete, jonge”, zei hij dreigend.
Boombast reageerde meteen.
“Ik groet je, moeder Terra, moge de dingen blijven zoals ze zijn.”
Terra glimlachte naar Boombast: “Ik groet je Boombast zoon, zoals de dingen zijn zijn ze goed.”
Worm werd niet begroet. Hij staarde voor zich uit. Hij dorst zijn vader en zijn broer niet aan te kijken. Hij dorst ze ook niet te groeten. Dat was tegen de gewoonte. Degene die binnenkwam groette eerst, altijd. Hij voelde dat het mis was. Knoest en Boombast waren vast Zetsnor tegen het lijf gelopen.
Knoest ging zitten. Nee, eigenlijk ging hij niet gewoon zitten. Hij nam plaats. Knoest zat op de gammele houten bank op een manier die een koning op een troon niet zou misstaan. Voor Worm, maar ook voor Terra en Boombast was het duidelijk. Hier ging recht gesproken worden.
Worm boog zijn hoofd. De pijn van de klappen die hij zou gaan krijgen was erg maar niet zo erg als de vernedering als hij straks in zijn blote kont over de knieën van zijn vader hing. Even schoot het door hem heen om zijn staf te pakken. In twee stappen zou hij bij de deur kunnen zijn waar zijn staf tegen de muur stond. Wie weet wat er dan zou gebeuren. Wat dachten die opgeblazen idioten met hun maffe gewoonten … Maar hij liet de gedachte weer even snel schieten. Dit waren geen idioten.
“Worm kom hier,” sprak Knoest streng.
Worm deed twee stappen in de richting van zijn vader. Het kamertje was zo klein dat hij daarmee aan het bevel van zijn vader had voldaan.
Knoest keek Worm aan, maar Worm sloeg zijn ogen neer.
“Heeft moeder Terra jou vanmorgen vertelt wat de afspraak met meester Zetsnor is, jonge?” vroeg Knoest plechtig.
Worm mompelde: “Ja vader.”
“Ik kan je niet verstaan, jonge,” zei Knoest veel te hard. Zijn stem galmde door het huisje alsof hij het hele dorp moest toespreken.
“Oh jee”, dacht Worm”, hij noemt me weer jongen en geen zoon.”
“Ja, vader,” riep Worm nu overdreven luid.
“Ja vader, ja vader,” Knoest was bezig een enorme woede op te bouwen, niks ja vader. Je heb me te schande gemaakt, jonge. Hoor je dat? Je heb mij en je moeder te schande gemaakt. Een Grobbe doet wat hij zegt en zegt wat hij doet, jonge. Altijd. Moge de Deemsterwicht hem anders hale.”
Worm bleef met gebogen hoofd strak naar de grond kijken. Knoest haalde diep adem en schraapte zijn keel. Hij was het niet gewend meer dan een paar woorden achter elkaar te spreken. Hij had een aanloop nodig voor de volgende zinnen.
“Maar jij doet dat niet, jonge. Jij kletst en leutert maar. Jij praat maar door en door. Jij stelt maar vragen en geeft maar antwoorden. Nou gaan wij vanavond prakkizeren, jonge wat er met jou mot gebeure. Trek je broek naar benede en kom over me knieë legge.”
De laatste zin kwam er zo plompverloren achteraan dat Worm eerst niet goed begreep wat hij moest doen. Maar Knoest had geen geduld
“Hebbie modder in je ore, jonge. Broek naar beneë en legge. Of mot ik soms een endje hout hale zoals Zetsnor heb voorgesteld,” zei Knoest boos.
Worm deed wat hem gezegd werd. Terra en Boombast keken onbewogen toe terwijl Knoest Worm tien keer met zijn harde vlakke hand op zijn billen sloeg.
Worm deed zijn uiterste best om de pijn te verbijten en niet in huilen uit te barsten. Tot de achtste klap gaf hij geen kik, maar bij de laatste drie klappen kon hij een kreet van pijn toch niet onderdrukken.
Na de tiende klap zei Knoest nors: “Klaar, opstaan en naar je bed. Ik wil je niet meer zien. Wij gaan prakkizeren en jij hoort morgen wel meer.”
Moeizaam kwam Worm overeind. Zijn billen gloeiden als de hel. Hij keek Terra aan, maar die draaide haar hoofd weg en zei niks. Worm sjorde zijn broek omhoog en klom het wankele trapje op dat naar het kamertje leidde waar hij en Boombast sliepen.

Hfdst 3: Op de vlucht

Het was buiten nog pikkedonker. Worm draaide zich voor de zoveelste keer om. Het was nog lang geen ochtend. Het was ijzig koud. Worm had niet geslapen. Hij had de hele nacht liggen woelen en liggen piekeren.
Wat moest hij doen? Knoest was woedend geweest en had hem straf gegeven voor iets dat niet in verhouding stond met wat er echt gebeurd was. Meester Zetsnor had Knoest niet alles verteld. Lang niet alles. Als hij dat wel had gedaan, dan had Knoest hem misschien het moeras wel ingestuurd.
Worm besefte dat hij vandaag niet naar school kon gaan. Meester Zetsnor had hem gezegd dat hij de school niet meer in mocht. Ook dat had hij duidelijk niet tegen Knoest gezegd anders was Knoest nog veel bozer geweest. Terra en Knoest hadden de vorige avond geprakkiseerd en Worm was er bijna zeker van dat de uitkomst van al dat geprakkizeer op niets goeds voor hem zou uitkomen.
Als ij niet naar school ging, kon hij ook niet in het dorp blijven. Er zat maar één ding op en dat was weglopen. Een tijd lang had Worm liggen broeden op het idee om weg te lopen. Maar waar moest hij heen. Hij was nog nooit verder geweest dan het boomhuisje van Kriebelbaard en het eendenjagershuisje aan de andere kant van het dorp. Er was eigenlijk maar één plek waar hij heen kon en dat was het boomhuisje van meester Kriebelbaard. Hij zou daar ook niet lang kunnen blijven want dat was de eerste plek waar ze hem zouden gaan zoeken. Zouden ze hem wel gaan zoeken. Waarschijnlijk waren ze blij als hij opgehoepeld was. Dat gold niet voor Terra dat wist hij zeker en misschien ook wel niet voor Boombast. Hij moest naar meester Kriebelbaard gaan en aan hem hulp vragen. Worm was er helemaal niet gerust op dat meester Kriebelbaard hem niet naar het dorp zou terugsturen. Kriebelbaard zou het verschrikkelijk vinden als hij Terra verdriet moest doen. Hij had veel respect voor de kleine Grobbenvrouw. Toch moest hij het er maar op wagen. Een andere oplossing kon Worm ook niet bedenken en veel tijd was er ook niet meer. Hij moest op weg zijn voor het hele dorp wakker werd.
Worm trok zijn kleren aan en sloop het trapje af. Hij sloeg zijn mantel om, pakte zijn staf en verliet zo geruisloos als hij maar kon het huisje. Voor hij de deur achter zich dichttrok keek hij nog één keer naar de hoek van de kamer waar Terra en Knoest sliepen. In het duister zag hij niet veel meer dan de vage bult die de lichamen van Terra en Knoest onder de dekens vormden.
“Het spijt me, moeder Terra,” prevelde hij zacht, “Ik wil je geen verdriet doen, maar ik moet echt weggaan voordat er nog ergere dingen gebeuren.”
Nadat Worm de deur achter zich had dichtgedaan, sloot Terra haar ogen. Ook zij had de hele nacht niet geslapen. Ze had Worm naar beneden horen komen en ze begreep meteen wat hij van plan was. Ze had nog even getwijfeld of ze hem niet tegen zou houden, maar ze was blijven liggen. Het was beter zo. Ze sloot haar ogen en de tranen stroomden over haar wangen.

Het was slecht weer. Een ijskoude miezerregen sijpelde tussen de bladeren van de enorme eiken naar beneden. Alles om Worm heen was drijfnat. De grond was doorweekt en zompig. Het pad dat van hun huisje naar het dorpsplein leidde was erg modderig en vooral nu het zo donker was slecht begaanbaar. En donker was het, geen straaltje maanlicht en geen glimp sterrenschijnsel kwam door het dichte wolkendek heen. Daar kwam nog bij dat de miezerregen een dichte mist van minuscule watersdruppels tussen de bomen vormde die het weinig zicht dat er was nog verminderde. Gelukkig kende Worm de weg naar het dorpsplein op z’n duimpje. Hij bereikte het plein dan ook zonder problemen en vandaar liep hij in de richting van de weg die naar Overdonder leidde. Hoewel iedereen het de Grote Weg naar het Westen noemde, was de weg niet veel meer dan een karrenspoor waar twee karren elkaar nauwelijks konden passeren. Het spoor liep van het dorp naar de echte grote weg, die de Dondermark met de Geinmark en de rest van Westerne verbond.
Behalve zijn staf en zijn mantel had Worm niets meegenomen. Hij zette er stevig de pas in. Als hij flink doorliep kon hij binnen een uur bij het boomhuisje van meester Kriebelbaard zijn
Worm dacht aan Terra. Hoe zou ze reageren als ze merkte dat hij verdwenen was. Zou ze naar meester Kriebelbaard komen om hem over te halen weer terug te komen. Stiekem hoopte hij daarop, want dan hij pas echt zeker weten dat ze van hem hield.
Er rinkelde iets in de verte. Worm hoorde het geluid wel maar het drong nog niet echt tot hem door. Hij was helemaal in gedachten verzonken. Toen het gerinkel opnieuw klonk was het bijna te laat.
Er kwam iemand aan. Nu hoorde hij ook het geklop van paardenhoeven. Misschien hadden de nieuwkomers niets kwaads in de zin maar Worm wilde geen risico lopen. Hij ging van de weg af en verstopte zich in het kreupelhout. De paarden kwamen dichterbij. Worm kon nu ook de stemmen van hun berijders horen en het flakkeren van hun fakkels zien. Hij greep zijn staf stevig vast en wachtte af.
“Zal me een hoop gedonder geven as ze horen dat we behalve het hout zes slaven gaan meenemen,” zei de ene soldaat tegen de andere.
Phh, zal wat,” antwoordde de tweede, “de eerste de beste Grobbe die moeilijk doet ken naar ze eige kop gaan zoeke. Ze hebben ie voor niks Zwarte Pier gestuurd. Die houdt niet van gemekker. En al helemaal niet in dit rotweer.”
“Zwarte Pier, zou wat, heer Logh zelf is mee. Die Grobbe krijge de schrik van hun leven als ze hem zien.”
Die komp allenig voor dat heksenjong”
“Shht, houd je kop, as Logh je hoort zijn we allebei de klos.”
Op dat moment passeerden de twee soldaten de plek waar Worm zich verborgen had. In het licht van hun fakkels zag Worm twee dikke kerels op hun bruine paarden. Ze zaten in zover Worm dat bij het licht van de twee fakkels kon zien allebei diep weggedoken in hun zware mantel. De kap over hun hoofd getrokken. Aan het zadel van de dichtstbijzijnde soldaat ging een schild, terwijl boven beide soldaten een lange lans uitstak. In het duister kon Worm niet zien welk wapen er op het schild stond. En al had hij het kunnen zien dan had het wapen hem waarschijnlijk niets wijzer gemaakt. Maar van de woorden die de soldaten gesproken hadden was hij erg geschrokken. Hij had het goed verstaan. Ze waren van plan om Grobben als slaven mee terug te nemen. Het Grobbendorp verkeerde in groot gevaar. En wie zouden ze bedoelen met “dat heksenjong”? Maar eigenlijk hoefde Worm daar niet lang over na te denken. Het was die heer Logh om hem te doen.
De twee soldaten deden er verder het zwijgen toe en ze werden al snel gevold door vier enorme door ossen getrokken karren. Op elke kar zaten twee mannen. Eén leidde de ossen terwijl de ander een fakkel vasthield.
Worm begreep wel dat dit de houthalers uit Overdonder waren. Na elke drie tiendagen kwamen ze naar het dorp om het door de Grobben gekapte hout op te halen. Er gingen wel verhalen dat als er niet genoeg hout klaar lag de houthalers daarvoor in de plaats Grobben als slaven meenamen, maar zolang Worm in het dorp woonde, had hij nog nooit meegemaakt dat iemand door de houthalers was meegenomen. Hij had ook nooit meegemaakt dat er soldaten met de houthakkers meekwamen en al helemaal niet vergezeld van ene Logh
Na de karren kwamen er nog meer soldaten. Worm telde er zes. Ook deze mannen droegen op allemaal een fakkel. Ook zij zaten diep weggedoken in hun donkere mantels. De voorste was duidelijk de aanvoerder. Hij droeg een prachtige pikzwarte bontmantel en in plaats van een lans had hij een zwaard aan zijn zij hangen. Opeens zag Worm dat er tussen de soldaten nog iemand reed. De figuur reed niet op een paard maar op iets dat even groot als een paard maar dan met de kop van een wild zwijn en ook de vacht van zo’n dier.
“Het lijkt wel een donderzwijn,” dacht Worm, “ maar wie rijdt er nou op een donderzwijn.” Zou dat die heer Logh zijn waar de eerste twee soldaten het over gehad hadden. Dat moest bijna wel. Worm greep zijn staf wat steviger vast en hield hem recht voor zich, alsof hij zich erachter wilde verstoppen. Tot zijn verbazing begon zijn staf licht te trillen.
De figuur die tussen de soldaten reed was in een lange donker groene mantel gehuld die hem of misschien was het wel een haar geheel bedekte. De kap van de mantel was ver over het gezicht van de ruiter getrokken. De ruiter in de groene mantel maakte een vreemd snuivend geluid. Worm kon het in het donker niet goed zien maar hij had de indruk dat het hoofd van de groene ruiter al snuivend zachtjes heen en weer wiegde.
“Hij is aan het ruiken,” dacht Worm, “hij speurt de omgeving af naar verdachte luchtjes.”
Worm voelde zich helemaal niet op zijn gemak. De soldaten zouden hem in het duister nooit kunnen zien, maar die rare snuiter zou hem misschien wel kunnen ruiken. Het volgende ogenblik werd Worms ongerustheid bevestigd. Het hoofd van de groene ruiter wiegde weer opzij, maar nu kon Worm zien dat zijn blik gefixeerd bleef op de plek waar Worm zich verstopt had. Worm moest zijn uiterste best doen om niet in paniek te raken en verder het woud in te vluchten. Hij snapte wel dat als hij nu opstond en wegrende de soldaten hem snel te pakken zouden hebben. De ruiter snoof nog eens diep en slaakte toen een schorre kreet. Hij trok aan de teugels van zijn rijdier. Het beest bleef staan. De groene ruiter sloeg opnieuw een paar krassende geluiden uit. Worm kon niet verstaan wat hij zei maar aan de reactie van de soldaten was te zien dat er een bevel was uitgesproken. De soldaten aarzelden geen moment om het bevel uit te voeren. Nog voor hun paarden goed en wel stil stonden waren de so;daten er al afgesprongen. De aanvoerder trok zijn zwaard en de anderen pakten hun lange lansen uit de houders aan hun zadel.
Ondanks het duister zag Worm dat er iets over de rug van het Donderzwijn heen en weer kronkelde om vervolgens een aantal keren op en neer te zwiepen. Onder de groene mantel kwam iets te voorschijn dat in de richting wees waar Worm zich verstopt had. Worm dacht even dat het een hand was maar toen het licht van een van de fakkels erop scheen zag hij dat een benige klauw onder de mantel te voorschijn was geschoten. Worms maag draaide zich van angst om. Het wezen kraste weer en de soldaten liepen met hun lansen voor zich uit naar het kreupelhout waarachter Worm zich verstopt had. De staf in Worms handen begon heftig te trillen. Worm greep hem met beide handen vast en hield hem voor zich uit. Een ijskoude schaduw trok weer door Worm heen. Worms ogen vernauwden zich. Hij keek naar de figuur op het Donderzwijn maar zag hem nu met heel andere ogen. Hij wist opeens met wat voor wezen hij te maken had. Het was een Vlaken. Haat, gloeiende haat zoals Worm die nog nooit gevoeld had, doortrok zijn hele lichaam. De staf trilde nu zo hevig dat hij hem bijna niet meer in de hand kon houden. Worm was onwillekeurig opgestaan. Hij wilde maar één ding. De Vlaken aanvallen en hem van zijn rijdier afslaan. Toch aarzelde Worm nog. Iets hield hem nog tegen. Het leek wel of de Vlaken ook iets gevoeld had. Hij ging verzitten in het zadel en toen Worm opstond, slaakte hij een ijselijke schelle kreet. De staart van de Vlaken sloeg nu opgewonden heen en weer over de rug van het Donderzwijn. De Vlaken kraste een bevel. Worm kon niet verstaan wat hij zei maar de kapitein van de soldaten reageerde onmiddellijk.
“Terug, mannen, terug naar de paarden,” schreeuwde hij. Zijn stem sloeg over.
Opnieuw gekras ditmaal duidelijk doortrokken van woede of wellicht wel van angst. Worm stond nog steeds rechtop. De soldaten konden hem zo zien maar ze liepen langs hem heen terug naar hun aarden alsof hij lucht was. De Vlaken daarentegen staarde strak naar de plek waar Worm met zijn staf stond. Hij gaf het Donderzwijn een schor bevel. Het beest sprong als een razende vooruit, en denderde op volle snelheid langs de ossenkarren en om in de richting van het dorp te verdwijnen.
Worm bleef onbewegelijk staan. Het gevoel van intense haat was verdwenen met het verdwijnen van de Vlaken. Worm wist zeker dat de staf hem voor de soldaten onzichtbaar had gemaakt, maar bij de Vlaken werkte de staf anders. De Vlaken had hem gezien en hij was bang voor hem geweest. Voor hem, Worm of voor de staf. Zo bang dat hij gevlucht was. Worm had het vermoeden dat Vlaken niet snel op de vlucht sloegen. Worm had geen idee hoe hij opeens wist dat er een Vlaken voor hem stond. Zo ver hij zich kon herinneren had alleen meester Kriebelbaard ooit eens iets gezegd over het bestaan van deze wezens. De oude Hulder had verteld dat Vlaken boosaardige wezens waren die uit het hoge noorden naar Westerne waren gekomen toen de Woudridders verdwenen waren. Ze hadden ook iets met het verdwijnen van de Woudridders, de Paladijnen van de oude koning Donderrok, te maken gehad, maar hoe of wat kon Worm zich niet meer herinneren. Misschien had meester Kriebelbaard het ook wel niet verteld. In ieder geval had hij het wezen herkend toen het voor hem stond. Worm keek verdwaasd om zich heen. De soldaten waren als een razende achter de Vlaken aangereden en in de verte hoorde hij alleen nog het geknars en gekraak van de ossenkarren.
“Ik moet ze waarschuwen,” dacht Worm, “ik moet proberen Terra, Knoest en Boombast te waarschuwen. Als ze een dag het woud invluchten lopen ze in ieder geval niet de kans door die engerd mee te worden genomen als slaven.
“Bovendien,” schoot het door Worm heen, “als ze het “heksenkind” niet kunnen vinden nemen die smeerlappen misschien wraak op Terra of op Boombast of Knoest.”

Worm liep het pad weer op en rende achter de ossenwagens aan in de richting van het dorp. Het duurde maar kort voor hij op een lang recht stuk de fakkel die de man op de bok van de achterste wagen in het oog kreeg. Worm bleef staan. Het had weinig zin om door de voerlui op de wagens opgemerkt te worden. Bovendien wist de Vlaken dat de jongen met de staf zich ergens op het pad bevond. Misschien had hij wel het plan opgevat om een hinderlaag te leggen.
Worm vroeg zich af of de Vlaken besefte dat hij het “heksenkind” was. Waarschijnlijk niet anders had hij wel geprobeerd me gevangen te nemen.
Worm ging van het pad af en liep zo snel het duister en het kreupelhout het toelieten door het woud naar het dorp.
Het regende nog steeds maar het begon wel lichter te worden. De Vlaken en de soldaten zouden het dorp nu al wel bereikt hebben, dacht Worm. Hij moest opschieten.
Op het moment dat Worm langs het eerste Grobbenhuisje liep, zag hij ook de wagens het dorp in rijden. Vanaf het dorpsplein klonk een hoop lawaai en geschreeuw. Hij bleef staan. Hij hoorde hoe de soldaten luid schreeuwend tussen de huizen doorliepen.
“In de naam van heer Logh. Naar buiten, naar buiten en verzamelen op het plein,” brulden ze, “Schiet op luie modderkruipers naar het plein.”
Aan de beweging tussen de bomen kon Worm zien dat al veel Grobben aan de bevelen van de soldaten gehoor gaven.
“En waarom ook niet,”dacht Worm, “toe nu toe hadden ze weinig van de houthalers te vrezen en ze wisten niet wat hun nu boven het hoofd hing.”
Worm had geen tijd om de Grobben te waarschuwen. Terra, Knoest en Boombast gingen voor. Die moest hij eerste waarschuwen en dan zouden ze wel verder zien hoe ze de andere Grobben konden helpen.
Worm rende de eerste huisjes voorbij. De paadjes waren door de regen erg modderig geworden. Hij sprong zo goed en kwaad als het ging van droge plek naar droge plek. Opeens schoot zijn rechtervoet weg in een modderplas. Worm verloor zijn evenwicht. Met twee grote stappen probeerde hij zijn evenwicht weer te herstellen. Hij zou languit in de modder beland zijn als hij niet net op tijd zijn staf in de grond had gestoken. Worm haalde even diep adem en keek om zich heen. Het was niet direct een geruisloze manier om het dorp binnen te sluipen. Op het plein werd echter zo hard geschreeuwd dat niemand het plons en gesop van Worm was opgevallen. Worm ging snel verder. Het was inmiddels behoorlijk licht geworden.
Daar was het boomhuisje al. Worm schoot weg achter de dichtstbijzijnde boom. Er stond iemand voor de deur. In een reflex had Worm al gezien dat het niet Terra, Knoest of Boombast was. Maar wie was het dan wel?
Worm gluurde voorzichtig om de boom heen. Het was niet een van de soldaten die voor hun huisje stond. Daar was het wezen te klein voor. Bovendien hingen zijn armen tot onder zijn knieën. Het wezen droeg een leren vest en een soort korte broek ook van leer. Op zijn kop stond een zwarte ijzeren pothelm en in zijn handen hield het een houten knots met zwart ijzeren punten.
Worms hart zonk in zijn schoenen. Hij was te laat. Hoewel hij dit figuur niet bij de karren en de soldaten in het woud gezien had, was het voor Worm duidelijk dat dit lelijke monster bij de Vlaken hoorde. Hij had geen idee wat het was maar het was wel duidelijk dat het een boosaardig type was.
“Het lijkt wel of ie op wacht staat,” dacht Worm, “of misschien staat hij mij wel op te wachten?”
Opeens ging de deur van het huisje open. Worm hoorde het kwaadaardige gekras van de Vlaken. De Vlaken kwam naar buiten en zei iets tegen het wezen. De laatste ging het huisje in, terwijl de Vlaken voor de deur bleef staan en zijn kop weer langzaam wiegend van links naar rechts liet gaan. Worm kon het gesnuif weer horen. Worm stond blijkbaar te ver weg voor de Vlaken om hem te ruiken. Het kleine monster kwam weer naar buiten. Hij hield het ene eind van een stuk touw in zijn handen. Het andere eind was in een lus om Terra’s nek gebonden.
Worm verstijfde. De smeerlappen hadden Terra te pakken. Hij moest iets doen. De Vlaken kraste iets tegen Terra en toen ze geen antwoord gaf, zwiepte de lange staart van de Vlaken onder zijn mantel uit en sloeg hij haar daarmee zo hard tegen haar rug dat ze voorover in de modder viel. Worm zag nu ook dat haar handen op haar rug gebonden waren. De Vlaken kraste een bevel waarop het wezen Terra aan haar nek begon voort te slepen. Het monster moest erg sterk zijn want zo te zien sleurde hij Terra zonder veel moeite door de modder. Pas naar een paar meter zag Terra kans om overeind te krabbelen en achter het wezen aan te strompelen.
Worm stampte zachtjes met zijn staf op de grond. Hij had verwacht dat de staf zou gaan trillen, dat er een ijskoude schaduw vervult van gloeiende haat door hem heen zou trekken, maar er gebeurde niets. De staf bleef gewoon koud.
Bijna was Worm toch naar de Vlaken toe gerend. Wie weet zou de staf in de buurt van de Vlaken wel reageren. Hij kon zich echter beheersen. Als de staf gewoon een houten stok bleef was hij verloren en had de Vlaken “het heksenkind” waarvoor hij gekomen was te pakken. Dan kon hij Terra zeker niet meer helpen.
Er kwamen nog twee monsters het huisje uit. Tussen hen in liep meester Zetsnor.
“Het heksenkind is hier niet, heer Logh,” zei meester Zetsnor, “uw Nukken hebben het hele huisje doorzocht maar niets kunnen vinden. Ik denk dat hij zich in het woud verstopt heeft.”
De kop van de Vlaken draaide zich langzaam in de richting van meester Zetsnor.
“Ug gad mij beloofd, meesteg Setsnog dat get geksenjong hieg zou sijn,” kraste de Vlaken woedend, “wijg Vlaken gouden niet van mislukkingen.”
“Nee, natuurlijk niet heer Logh. Ik zal mijn belofte nakomen. Ik zal dat heksenjong vinden al is het het laatste wat ik doe,” doodsangst vertekende de stem van meester Zetsnor.
De Vlaken maakte een geluid alsof iemand met een mes over een leitje heen ging. Wellicht was het bedoeld als lachen.
“Meesteg Setsnog, als ug gem vandaag niet aan mijg uitlevert, is get echt get laatste wat ug zal doen.”
Opeens zwiepte de staart weer onder de mantel uit en sloeg de Vlaken meester Zetsnor er hard mee in zijn gezicht. Meester Zetsnor greep naar zijn gezicht en staarde de Vlaken ontzet aan.
“Ug bent getekend, meester,” kraste heer Logh.
Worm had vanachter zijn boom het schouwspel bekeken. Angst, paniek en woede wisselden zich af. Toch kon hij een zacht “Ja” niet onderdrukken toen de Vlaken meester Zetsnor in zijn gezicht sloeg. “Je verdiende loon, vuile verrader,” siste hij zacht voor zich uit.
Heer Logh, meester Zetsnor en de twee Nukken liepen in de richting van het dorpsplein. Dat gaf Worm even de gelegenheid om na te denken wat hem te doen stond. Terwijl hij stond na te denken zag Worm een dun rooksliertje uit het boomhuisje komen. Voor hij goed en wel besefte wat er gebeurde was het dunne sliertje veranderd in een dikke rookwolk en een aar seconden later sloegen de eerste vlammen uit de deur van het huisje.
“Ik zal het jullie betaald zetten, smeerlappen,” fluisterde Worm voor zichzelf, “hier gaan jullie spijt van krijgen.” Worm wist wel dat het een loos dreigement was. Hoe zou hij een wezen als de Vlaken iets betaald kunnen zetten? Als de Vlaken hem te pakken, kreeg zou hij hem vermorzelen.
“Toch was hij bang voor mij of voor de staf,” dacht Worm, “en niet zo’n beetje ook.” Die gedachte fleurde hem een beetje op en gaf hem moed om weer verder te gaan. Het verstandigste wat hij kon doen was om naar meester Kriebelbaard te gaan en hem om hulp te vragen. Maar hij kon Terra toch niet zo maar in de steek laten? Hij moest in ieder geval weten wat ze verder met haar gingen doen.
Worm begon heel voorzichtig van boom naar boom in de richting van het dorpsplein te sluipen. Het geschreeuw op het plein was gestopt. Het kostte Worm weinig tijd om ongezien aan de rand van het plein te komen.
Alle Grobben van het dorp waren aan een kant van het plein bij elkaar gedreven. De soldaten die Worm eerder in het woud had gezien stonden met gevelde lansen om de Grobben heen.
Meester Zetsnor, heer Logh en de drie Nukken stonden midden op het plein.
Meester Zetsnor had net het woord genomen.
“Beste Grobben, meester Logh, hier, “ en hij maakte een diepe buiging naar de Vlaken, “is tevreden over het aantal bomen dat jullie dit keer geveld hebben, maar hij is er erg boos over dat jullie al jaren een heksenjong in het dorp verborgen hebben gehouden. Hij is daarom zelf gekomen om het heksenjong te vangen en het mee te nemen naar Overdonder. Als waarschuwing zal hij in ieder geval de Grobben die het jong verzorgd hebben als slaven meenemen. Ook Houthak en zijn zoon Drommel neemt hij mee.”
Er ontstond rumoer onder de Grobben. Houthak was het dorpshoofd en een zeer gewaardeerde Grobben. Hij had er al jaren voor gezorgd dat de dingen bleven zoals ze waren en nu vertelde een mens hen dat Houthak slaaf zou worden.
“De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo,” brulde een grote Grobbe vertwijfeld. Een van de soldaten maakte een dreigende beweging met zijn lans in de richting van de Grobbe.
Nu kwam Houthak zelf naar voren. Hij maakte een diepe buiging.
“Ik groet u, Meester Logh moge de dingen blijven zoals ze zijn” begon Houthak, “ meester Logh, de dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo. Ik vraag u …”
Verder kwam hij niet. De staart van de Vlaken zwiepte onder de mantel uit en trof Houthak midden in zijn gezicht. De Grobbe had een keiharde kop dus de slag met de staart deed hem niet zo veel. Verbijsterd stond hij de Vlaken aan te kijken.
De Vlaken kraste een bevel en onmiddellijk storten de drie Nukken zich op Houthak. De andere Grobben keken vol schrik hoe de Nukken tegen de grond werkten en hem met touwen in een soort rolmops veranderden. Toen ze klaar waren sleepten ze Houthak aan een touw om zijn nek naar Terra en smeten hem naast haar neer op de grond.
“Ggobbe, luisteg. Ik eis get geksenjong. Als ug gem vandaag niet aan mijg uitleveren dan neem ik tien Ggobben als slaven meeg.”
Worm zocht tussen de Grobben op het plein naar Knoest en Boombast, maar hij zag ze niet. Misschien waren ze al heel vroeg het woud in gegaan en wisten ze nog helemaal niet wat er aan de hand was. Worm had geen idee waar zijn vader en zijn broer aan het werk waren. Het had geen zin meer om nog langer in het dorp te blijven. Hij kon nu beter op weg gaan om Knoest en Boombast te zoeken. Worm draaide zich om.
“Hé, kijk nou es. Daar hebbie die roze slijmprop.”
Als door een adder gebeten keek Worm in de richting van waaruit de stem kwam. Daar stonden Aardkorst en Schorsnagel.
Worm aarzelde geen moment. Zo snel als hij kon, rende hij naar de rand van het dorp. Achter zich hoorde hij Aardkorst schreeuwen.
“Hier, hiero, het heksenjong is hiero.”
Aardkorst en Schorsnagel hadden schreeuwend de achtervolging ingezet. Worm wachtte niet af. Hij begreep maar al te goed dat hij Knoest en Boombast nu niet kon gaan zoeken. Als die twee idioten hem te pakken kregen zou hij Terra, Knoest en Boombast zeker niet meer kunnen helpen. Hij stampte nog een keer met zijn staf op de grond in de hoop dat het hout zou gaan trillen, gloeien of wat dan ook als de staf hem maar de kracht zou geven met die twee Grobbengekken af te rekenen.
“Kom op nou, stom stuk hout,” riep Worm wanhopig, “doe iets.” Maar er gebeurde niets. Hij moest nu echt maken dat hij weg kwam. Het liefst was hij naar meester Kriebelbaard gegaan maar dat kon niet want Aardkorst en Schorsnagel bevonden zich tussen hem en het begin van het pad naar meester Kriebelbaard. Er was maar één uitweg uit het dorp en die liep rechtstreeks het moeras in. Worm voelde er weinig voor om weer het Duivelsmoer in te gaan maar hij had geen keus. Worm zette het op een rennen en al snel beriekte hij de woudrand. Achter zich hoorde hij het geschreeuw van Aardkorst en Schorsnagel maar hij dacht ook zwaardere stemmen en het gestamp van zware laarzen te horen. De soldaten hadden ook de achtervolging ingezet en dan zou de Vlaken ook wel achter hem aan zitten. Zonder aarzelen vloog Worm het moeras in.
“Ik moet het eendenjagershuisje zien te bereiken, dacht Worm, en vandaar bij de Voorde over de Donder zien te komen.”
Als hij zich aan de andere kant van de Donder in het moeras verschool dan had hij een kans om te ontsnappen. De Grobben dorsten vast de rivier niet over te steken. Van de soldaten was hij minder zeker maar hij moest het er maar op wagen. Al snel doemde het eendenjagershutje in de verte op. Het huisje stak scherp af tegen de grijze ochtendlucht. Tot hier toe kende hij de weg door het moeras goed en liep hij niet het risico in een zinkput of een modderpoel terecht te komen. Het eendenjagershuisje was vanaf waar Worm liep wel goed te zien maar niet zo eenvoudig te bereiken. Ooit had er een pad naar toe gelo­pen, maar dat was nu over­woekerd met struiken en kreupelhout. Het was altijd lastig het begin van het verborgen pad te vinden.
“Hier moet ik goed opletten, fluisterde Worm tegen zichzelf,.”hier moet ergens het begin van het pad zijn. Het moet ergens tussen dat dichte struikgewas beginnen.”
Worm staarde ingespannen naar de struiken aan de kant van de weg. Zijn gezicht klaarde op. Hij had het gevonden. Het werd tijd ook want de stemmen waren nu heel dicht bij. Zijn achtervolers konden hem niet zien omdat hij zich achter een soort bossage van kreupelhout en struiken bevond, maar dat zou niet lang meer duren.
Worm keek nog één keer om zich heen en verdween vervolgens tussen de strui­ken. Hij moest zich door een dikke laag struikgewas wringen. Toen hij daar door was, werd het verborgen pad zichtbaar. Als hij geluk had zouden zijn achtervolgers zijn spoor nu al kwijt raken.
“Hij gaat naar het huisie,” hoorde hij Aardkorst roepen, “hier mot ergens een pad zijn.”
“Schiet op Grobbe, waar is dat verdoemde pad. Als we dat heksenjong niet te pakken krjgen zijn jullie nog niet jarig,” riep een zware stem. Worm kreeg het benauwd. Ze waren hem nog steeds op het spoor.
Het pad liep nu tussen laag stekelig struikgewas door verder het moeras in.
“Kijk, daar looptie, schreeuwde Aardkorst.
Het pad was makkelijk te begaan. Worm keek voor zich uit naar het huisje. Hij begon aardig buiten adem te raken. Zijn ogen vernauwden zich. Het leek wel of hij iets bij het huisje had zien bewegen. Of was het gezichtsbedrog geweest. Wrm kon zich niet voorstellen wie of wat zich bij het huisje kon ophouden.
Het duurde dan ook niet lang of Worm bereikte het huisje. Het eendenjagershuisje was een klein eeuwenoud stenen huisje. Hoewel de muren, het dak en zelfs de luiken nog redelijk intact waren, was het helemaal groen en zwart uitgeslagen. Worm en de Grobben noemden het het eendenjagershuisje maar eigenlijk had hij geen idee waar het voor gediend had of wie er in gewoond had. Het was in ieder geval niet meer in gebruik.
Worm was samen met meester Kriebelbaard eerder bij het huisje geweest. Hij had zich toen afgevraagd wie er in het huisje gewoond had en waar het voor gediend kon hebben. Hij had er zelf al allerlei antwoorden op verzonnen. Meester Kriebelbaard zei dat het gewoon de woning van een een­denja­ger geweest was, maar dat leek Worm niet spannend genoeg. Nee, het was waarschijnlijk een door een tovenaar verkleind kasteel van een sinds lang gestorven Hulderkoning dat een geheime toegang verschaft tot de gewelven onder Wolvenschuil, de al sinds eeuwen vervallen burcht midden in het Duivelsmoer en hebben er Trollen of zelfs Draken ge­woond. Zoiets moest het zijn.
Naast het huisje lag een donker vennetje. Worm bleef even bij het ven­netje vandaan. Het was één van de vele veenpoelen die het moeras rijk was. Het waterop­pervlak was volslagen rimpelloos en groenzwart.
“Lijkt me sterk dat hier iets in leeft,” dacht Worm. Er kwam een vage geur van bederf van het water af.. Worm onderdrukte de neiging om een steen door de roerloze waterspiegel te gooien. Om de één of andere reden had hij het idee dat het water dan even roerloos zou blijven.
De stemmen kwamen weer snel dichterbij. De Grobben en de soldaten hadden het verborgen pad ook gevonden en kwamen nu op het huisje af. Worm had weinig tijd meer. Hij moest nu snel verder.
In de verte hoorde Worm een wolf huilen. Het geluid kwam van de andere kant van de rivier. Het klonk angstaanjagend. Hij had wel eens vaker wolven horen huilen, maar nu raakte Worm door het geluid in paniek.
Er is niets aan de hand, fluisterde hij tegen zichzelf, ik steek de rivier over maar ga niet ver het moeras in. Je kan het zelfs nog zien en die wolven zijn nog heel ver weg.
Hij speurde het moeras af. De geluiden van zijn achtervolgers kwamen snel dichterbij.
“Wie zegt dat het huisje veilig is?” Worm schrok van zichzelf. Het leek wel of een stem in hemzelf deze zin had ge­fluisterd. “Ik treuzel veel te lang,” dacht Worm angstig, “straks is het te laat.” Toch bleef Worm nog staan. Opnieuw hoorde hij de wolf huilen.
“Au, snotver, au, au. Ik zit vast. Ik ken me nie bewege.” De stem van Aardkorst doorsneed de stilte van het moeras.
“Opschieten of ik hak je kop eraf,” riep een andere stem.
Au au auuuw, je heb al me hare uit me kop getrokke, gilde Aardkorst, stomme moddergraver.”
“Loop nou maar en hou je kop, snauwde Schorsnagel.
“Waagom duugt get zog lang,” kraste een onheilspellende stem.
Worm verstijfde. De Vlaken was dus meegekomen. Dat monster zou zich echt niet door de rivier laten tegenhouden.
Worm keek nog eens naar het huisje. Hij aarzelde.
“Zou het slim zijn om niet de rivier over te steken en de rivier aan deze zijde van de oever te volgen, dacht Worm, “nee, dat is wat ze van me verwachten. Ze geloven hopelijk niet dat ik de rivier over durf te steken. Ik moet de rivier over.”
Ondertussen was het zachtjes gaan regen. Het zou al snel harder gaan regenen want boven hem pakten asgrauwe wolken zich samen.
Hij moest iets doen. Blijven staan maakte hem alleen maar nat.
Worm draaide zich om en bleef verlamd van schrik staan. Voor hem tussen de struiken stond een man, een gewapende man. Hij was helemaal in het groen gekleed en staarde Worm aan. In zijn handen hield hij een enorm slagzwaard waarvan hij de punt op de grond liet rusten. Worms hart sloeg een paar slagen over. Hij kon niet helder meer denken. Hij wilde weg van deze plek. Bijna was hij blind het moeras ingelopen. De man staarde hem onbeweeglijk aan. Toen zag Worm dat het geen mens was maar een beeld. Voorzichtig deed hij een stap naar voren. Waar kwam dat beeld opeens vandaan? Worm kon zich niet herinneren dat het er had gestaan toen hij hier met meester Kriebelbaard was. Hij had de Grobben er ook nooit over gehoord. Het beeld was helemaal overdekt met mos dus misschien was het toen helemaal overgroeid geweest en hadden ze het toen wel voor een boom aangezien. Het moest hier al heel lang staan. Het beeld stelde een ridder voor. De stenen helm en het stenen schild waren dui­delijk te onderscheiden. Ook het zwaard was nog goed te zien. Het was een reusachtig zwaard en het was prachtig bewerkt.
Aan de linker arm van de stenen ridder hing een schild, waarop Worm nog flauw de omtrekken van een draak zag. Ook op de helm was een draak uitgebeiteld.
Terwijl Worm nog naar het beeld keek, was het harder gaan regenen. Plotseling werd het beeld hel blauw ver­licht door een bliksemflits.
“Het beeld leeft, dacht Worm ontstelt, zie je wel het leeft!”
Een dreunende donderslag bracht Worm weer bij zijn positieven. Worm keek verschrikt om zich heen. In het weerlicht had het beeld even levend geleken.
“Ik moest verder,” spookte het door hem heen.
Hij stapte het beeld voorbij en liep met grote passen het vage pad op dat tussen laag struikgewas en distels door naar de voorde bij de rivier slingerde.
“Nee, laat me los, smeerlap.”
De luide schreeuw verbrak de stilte van het moeras.
“Laat me lòòòs,”. Het was een schreeuw, een vrouw van een meisje. Worm keek ang­stig om.
Het geschreeuw kwam uit de richting van zijn achtervolgers.
Worm reageerde blimsem snel. Hij liet zich op zijn buik vallen. Tussen de stekelstruiken en de graspollen door kon hij het huisje redelijk goed zien.
Er verschenen twee Nukken om de hoek van het huisje die tussen zich in het lichaam van een meisje aan de armen voortsleepten. Direct achter de Nukken kwam een donkere fi­guur.
Worm verstijfde. Hij herkende de Nukken en de Vlaken meteen maar wie wat dat meisje en waar waren de soldaten en de Grobben. Wat waren die drie met dat meisje van plan? Weinig goeds zo te zien. Worm twijfelde er niet aan dat het het meisje was geweest die geschreeuwd had. Nu hing ze slap tussen de Nukken in.
Worm greep zijn staf stevig vast. Hij had zijn kans om te vluchten verspeeld. Hij had geen andere keus meer dan zich tot het uiterste te verdedigen.
Hij zag dat de twee Nukken het meisje naar een laag kromgegroeid boompje sleepten en haar polsen aan een knoestige kromme tak bonden. Het meisje bleef aan haar polsen hangen. Worm hoorde dat ze zacht kreunde.
Worm siste tussen zijn tanden.
“Dat is, bij de verlichte, dat Woudling meisje. Wat moet dat kind hier?
“Zog vgouwtje,” kraste de stem van de Vlaken, “niet zog slim van je om ons te bespioneggen. Waagom deed je dat?”
Worm zag dat het meisje met haar hoofd schudde, maar ze zei niets. Ze hing bijna met haar knieën op de grond. De Nukken waren vlak achter haar voorbereidingen aan het treffen om een vuur aan te leggen.
Opeens zwiepte de staart van de Vlaken onder zijn mantel uit en sloeg hij het meisje hard tegen haar dijbeen. Het meisje gaf een snerpende kreet.
“Waagom volgde jij ons, meisje? Ken jij get geksenjong? Nou vegtel op. Of moeten mijn Nukken get antwoogd uit je gukken?” Nou?” De Vlaken deed een stap naar voren en greep met zijn vogelklauw het meisje bij haar kin. “Stook het vuug maag op,” kraste hij tegen de Nukken.
De Vlaken staarde het meisje van onder zijn donkere kap aan. Worm zag dat de ogen van het meisje bijna uit haar hoofd puilden van pijn of angst
Worm begreep dat er iets vreselijks ging gebeuren. Hij begreep ook dat de Grobben en de soldaten weleens een omtrekkende beweging konden maken om hem te omsingelen en van de weg naar de voorde af te snijden.
Toen voelde Worm de staf gaan trillen. Een intense haat stroomde door hem heen. De re­gen voelde hij niet meer. Hij concentreerde zich alleen nog op het viertal voor hem bij het huisje. Hij omklemde zijn staf vaster. De kilte en duisternis die zijn lichaam doorstroomde nam toe. Het leek of er een ijskoude koorts door zijn aderen ziedde.
De Vlaken liet zijn staart nog een keer als een zweep op het meisje neer komen. Hij zei nog wat maar dat verstond Worm niet meer. Tegelijkertijd met een nieuwe bliksemflits, explodeerde er iets in Worms hoofd. Hij stond op en brulde: “Laat haar gaan.” Zijn stem deed de aarde sidderen. De Nukken keken in de richting van waar het stem geluid was gekomen en wezen. Maar ze wezen niet naar Worm. Even snapte hij Worm het niet toen besefte hij dat ze naar het beeld wezen. Een donderslag doorkliefde de stilte. Opnieuw sprak Worm: “Laat haar gaan.” Hij sprong naar voren. Het leek of hij de grond nauwelijks raakte.
Nu pas zagen de Nukken dat het stemgeluid niet van het beeld kwam maar van een jongen met een oude stok in zijn hand. Even zag hij een vuile grijns van opluchting op hun zwijnensnoeten. Ze moesten gedacht hebben dat het broertje van het meisje een wanhoopspoging deed haar te bevrijden. De Nukken trokken allebei een gehavend krom zwaard. Maar dat was dan ook het laatste wat ze deden. Worm had ze bereikt en zijn staf zwiepte door de lucht. Ditmaal liet Worm de slag niet vlak voor zijn tegenstander neerkomen. In één klap werden de twee zwijnenkoppen van de Nukkenlichamen gescheiden. De koppen vlogen door de lucht en plonsden in het zwartgroene water van het vennetje. De ontzielde lichamen vielen als één blok achterover.
Onmiddellijk draaide Worm zich om. Zijn stok ging weer omhoog om ook de Vlaken neer te slaan. Hij haalde uit... maar Worm kon zijn arm niet meer bewegen. Zijn arm met in zijn hand de houten staf bleef als bevroren boven zijn hoofd zweven. Maar de houten staf was geen houten staf meer maar een bos stro. Hij wilde opzij stappen, maar ook zijn benen leken stijf bevroren te zijn. Hij stond als aan de grond genageld. Zelfs in zijn hoofd zat geen enkele be­weging meer.
“Zoog, zoog,” kraste de akeligste stem die Worm ooit gehoord had, “zoog, zoog.”
De Vlaken kwam voor hem staan.
Vegeemd jongetje dat met één klap mijn twee Nukken tot moes te slaat. Gevaaglijk zo’n zwage staf. Stgog is beteg veel beteg. geel vegeemd, geel vegeemd.”
Worm keek in het oudste gezicht dat hij ooit gezien had. Twee fonkelende rode ogen stonden aan weerszijden van een grote haakneus. Midden op het puntje van de neus zat een enorme wrat. De Vlaken stonk op een onvoorstelde bare manier uit z’n muil. De zwavellucht benam Worm zowat de adem.
“Wieg ben jijg jongetje? Ben jijg get geksenjong?”
De Vlaken nam met zijn vogelklauw Worms kin in zijn hand en draaide Worms gezicht alle kanten op. Hoewel Worm zijn hoofd geen kant opkreeg, kostte het de Vlaken schijnbaar geen enkele moeite zijn hoofd te bewegen.
“Gm,” kraste hij, “jeg lijkt niet op gem. Jeg bent eigenlijk maag een gewoon jongetje. Maag schijn bediegt en Dent is slim o zo slim.”
De Vlaken maakte een geluid alsof een mes over een leitje werd getrokken. Hij grinnikte. “Je hoeft meg niet teg zeggen wieg jeg bent, want dat weet ik allang, veel beteg dan jijzelf. Dom onnozel jongetje, maar jeg bent ook een gevaaglijk jongetje. heel gevaaglijk.”
Worm keek de Vlaken verbijsterd aan maar zei niets. Hij deed zijn best om het gekras en gebrabbel van het monster om te zetten in begrijpelijke taal, maar dat viel nog niet mee.
De Vlaken kende hem dat was wel duidelijk. Hij leek blijkbaar op iemand en wie was meester Dent? Hij hoopte dat hij niet in paniek zou raken, maar tot zijn verbazing was hij niet eens echt bang. Iets in hem gaf hem een enorme kracht.
“Wat een mysterie?” dacht hij. “Waarom val ik niet flauw van angst. Waarom schreeuw ik niet om moeder Terra?”
Jaag, jaag Dents wegk,” kraste de Vlaken., “luisteg jongetje en luisteg goed want hiegna hoef je nooit meeg teg luistegen. Ik ga Dents wegk een beetje kapot maken. Een beetje vegnietigen, vegguizelen, vegpulvegen.”
Zijn ogen straalden nu een doffe rode glans uit.
Opeens zwiepte zijn staart onder zijn mantel uit en sloeg hij Worm hard over zijn borst. Worms buis sprong open. De punt van de staart was dwars door zijn buis heen gegaan en liet een bloederige streep op zijn borst achter.
Het deed verschrikkelijk pijn. Worm wilde het uitschreeuwen, maar er kwam geen geluid uit zijn mond.
Gm, gijg heeft je niet egg steggek gemaakt, jongetje.
Worm keek de Vlaken aan.
Opnieuw sloeg de Vlaken hem met de zweep over zijn borst.
Zo’n pijn had Worm nog nooit gevoeld, maar tot zijn eigen verba­zing werd hij nog steeds niet bang. Ergens binnen in hem begon weer een vlammetje te branden. Hij voelde een behoefte om de Vlaken boos te maken.
“Jeg speegt as een Ggobbevagken,” spuwde Worm in het stinkende gezicht van het monster.
Heer Logh staarde hem aan en liet toen de spijker weer over het leitje krassen.
Jaag, echt Dents wegk, jaag, jaag, jaag,” de staart zwiepte weer over Worm borst.
“Nee, spaar de jongen, laat hem gaan. Hij heeft hier niets mee te maken,” kreunde het meisje dat nog steeds aan de boomtak hing.
Als door een slang gebeten draaide de Vlaken zich naar haar om.
Waag bemoeig jijg jeg meeg onnozele hals. Weet jeg wieg dieg jongen is? Nee, dat weet jeg niet anders zoug jeg geen medelijden voog gem voelen. Ik weet het wel. Ik weet wieg gij is en waarom gij eg is en daarom gaag ik gem een beetje vegnietigen en vegguizelen.”
“Smerig monster,” kreunde het meisje.
Wat, wat zei je daag? Stinkende Woudling. Jeg speegt tegen heeg Logh. Ik geb eigenlijk geen gaast met dat jong. Dieg loopt niet weg. Kijk jongen, dat gaat eg stgaks met jouwg ook gebeugen.”
De Vlaken sloeg het meisje met zijn staart over haar rug. Ze schreeuwde. Dat leek de Vlaken alleen nog maar razender te maken. Hij ging als een razende te keer.
Het vlammetje in Worms innerlijk veranderde in een fractie van een seconde in een vlam en vervlgens in een ijskoud laaiend vuur. Het ijs in zijn armen en benen smolt in een ogenblik weg.. De bos stro in zijn hand veranderde weer in een houten staf . Hij vloog op de Vlaken af.
“Sterf lafaard,” bulderde Worm.
De Vlaken deinsde ontzet achteruit.
“Dat kan niet,” krijste hij, zoveel kacht kun jeg niet gebben.”
Hij wierp de mantel va zich af en een paar enorme vleugels vouwden zich op zijn rug open. Hij was te laat.
Uit alle macht liet Worm de staf op de Vlaken neerkomen. Er klonk een enorme dreun en de slag trilde door in al Worms botten. Het leek wel of hij op een schild geslagen had.
De Vlaken keek Worm schijnbaar onaangedaan aan. Het rode vuur in zijn ogen lichtte fel op. Te fel. Het leek of het vuur hem van binnen uit opvrat. Uit zijn neusgaten, zijn mond en zijn ogen kwam dikke zwarte rook. Er klonk een onmenselijke schreeuw en voor Worms zakte de Vlaken in elkaar. Instinctief dook Worm naar de grond. Hij hield de staf zoor zich. Opeens sloegen groene vlammen uit het lijk van de Vlaken. De lucht om hem heen veranderde in een verzengend groen inferno. Uit de muil van het ondier spoot vloeiend groen vuur. De drakenadem gierde over Worm heen. Hij dacht aan het meisje aan de boom en toen voelde hij niets meer.

 

Hfdst 4: Terug

Worm deed heel voorzichtig zijn ogen open. Even staarde hij naar het plafond. Een houten plafond waar het stof en de spinnenwebben duimen dik aan vastkleefden.

Worm vroeg zich af waarom Terra zijn kamer de laatste 25 jaar niet had schoongemaakt, maar toen drong het tot hem door dat hij helemaal niet in zijn kamertje in het boomhuisje lag. Maar waar was hij dan wel? Worm draaide zijn hoofd om. Hij zag een kale houten ruimte. De ruimte was leeg. Er stond geen tafel of stoel in helemaal niets. De ruimte had wel een deur maar die was dicht. Boven zijn hoofd was ook een klein raam. Of in ieder geval zat er een gat in de muur waarvoor een smerige lap zachtjes in de wind bewoog. Moeizaam kwam Worm overeind. Hij was zo stijf als een plank. Geen wonder hij lag gewoon op de grond van aangestampte aarde. Worm had het koud. Hoe was hij hier in hemelsnaam terecht gekomen? Worm trok zijn mantel wat dichter om zich heen. Er klonk een scheurend geluid en Worm hield in elke hand een stuk mantel. Hij schrok van de restanten van zijn mantel die hij in zijn handen hield. Wat was er gebeurd? Zijn mantel was in twee stukken gescheurd maar ook de twee stukken zaten vol scheuren en ze waren geblakerd. Het leek wel of iemand de mantel net te laat uit een kampvuurtje had getrokken. Nu werd Worm zich ook bewust van de lucht die van zijn mantel afkwam. Hij stonk naar verbrande wol maar ook naar iets anders iets veel smerigers, rotte eieren.
De deur ging open. Worm duwde zich verder overeind. Er kwam een meisje de kamer binnen. Tenminste Worm nam aan dat het een meisje was. Ze was kleiner dan Worm. Ze was heel fijn gebouwd en ze miste de vormingen en rondingen van een volwassen vrouw. Zeker in vergelijking met de enorme rondingen van Grobbenvrouwen.
“Zo ben je eindelijk wakker,” vroeg het meisje.
Nu pas herkende Worm haar. Het was het Woudlingmeisje dat hij van Schorsnagel en Aardkorst gered had.
“Weet je nog wie ik ben,” vroeg ze niet onvriendelijk.
Worm staarde haar met een lege blik aan. Ze had wel iets bekends maar zijn hersens werkten nog maar hij kon haar nog niet echt thuisbrengen.
“Ik ben Elfried, de Woudling. Je hebt me gered van die smerige Grobben en nu weer van die gemene Vlaken. Weet je nog wel?”
Worm knikte, maar zijn blik bleef leeg. Het luik in zijn hersens klemde nogal en hij kreeg het niet open.
“Mooi, kun je lopen?,” ging Elfried verder, “ik mag het hopen want we moeten hier snel vandaan. Er is hier niets te eten of te drinken. We houden het hier niet lang uit. Bovendien kunnen de soldaten en die twee stomme Grobben weer terugkomen. Hoewel ik niet denk dat ze dat durven. Je had ze moeten zien rennen. Alsof de Woudwicht zelf op hun hielen zat. Maar ja, misschien was dat ook wel zo.”
“Hoe ben ik hier gekomen,” vroeg Worm. Maar op dat moment schoot het luikje in zijn hersens los. Natuurlijk de Vlaken. De soldaten en Schorsnagel en Aardkorst hadden hem achtervolgd. Hij lag in het oude eendenjagershuisje.
“En de Vlaken,” vroeg hij aan het meisje, “ik herinner me vuur, groen vuur.”
“Man,”antwoordde het meisje, “je hebt dat monster z’n vet gegeven. Of nou ja dat denk ik tenminste. Je sloeg hem met die stok van je op zijn kop en toen vloog die smeerlap in brand. Ja echt de vlammen sloegen uit zijn oren en ogen en toen blies ie een grote vlam naar jou toe. Daarna was dat monster weg. Echt in rook opgegaan. Hoe deed je dat eigenlijk?”
Worm keek het meisje met grote ogen aan.
“Ik, ik weet het niet, ik, waar is mijn staf?” zei Worm terwijl paniek zich meester van hem maakte.
“Bedoel je die oude stok? Ik denk dat die nog buiten ligt,” antwoordde Elfried.
Tot haar verbazing schoot Worm overeind en was in drie grote stappen het huisje uit.
“Hé, kijk een beetje uit, riep Elfried verontwaardigd, “je duwt me bijna omver.”
Worm hoorde haar niet. Hij moest zijn staf vinden.
Het buitenlicht verblindde hem. Het duurde even voor hij scherp kon zien. In paniek keek hij in het rond. Het donkere ven lag er nog net zo stil en roerloos bij als daarvoor. Ook de oude knoestige kromgewaaide boom waaraan Elfried was vastgebonden stond er bij alsof er niets gebeurd was. Maar er was wel degelijk iets gebeurd. De grond voor de boom was zwart geblakerd. Het rook buiten ook nog naar rook en naar iets dat Worm zo snel niet thuis kon brengen. Tot het tot hem doordrong dat het dezelfde lucht was die hij uit de muil van de Vlaken had geroken, een scherpe rotte eierenlucht. Als Worm beter had opgelet als meester Kriebelbaard hem iets probeerde te leren had hij geweten dat het zwavel was dat hij rook. Worm rende naar de geblakerde plek toe. Daar moest zijn staf liggen. Zwarte as dwarrelde op toen hij over de geblakerde grond stapte. De rotte eierenlucht nam toe en Worm moest bijna kokhalzen, maar daar lag hij, zijn staf. Net zo zwart als de grond. Worm liet zich naast zijn staf op zijn knieën vallen alsof hij naast een zwaar gewonde vriend neerknielde. Hij pakte de staf voorzichtig op en hield hem in zijn handen. Hij was bang dat zijn kostbare bezit in stukken houtskool uit elkaar zou vallen, maar dat was niet het geval. De staf bleef heel. Daarmee was wel alles gezegd. Worm voelde het direct of liever hij voelde het juist niet. De staf voelde anders aan. Hij was zwaar en door de knoesten onhandig vast te houden.
De tranen sprongen Worm in de ogen. Hij drukte de staf tegen zijn hoofd aan en huilde.
Opeens stond Elfried achter hem.
“Wat doe jij nou?” vroeg ze verbaasd, “zit je te janken? Waarom? Je leeft toch nog.”
Worm draaide zijn hoofd omhoog. Zijn eerste reactie was om tegen het meisje te zeggen dat ze haar kop moest houden maar hij hield zich in.
“Hier,” zei hij en drukte Elfried de staf in haar handen. Vol verwachting keek hij toe of ze haar vingers zou branden. Er gebeurde niets.
“Wat moet ik hiermee?” vroeg Elfried toen keek ze wat beter naar de staf.
“Gek hè, dat die stok niet verbrand is. Moet je kijken de aarde zelf lijkt wel verkoold te zijn en die stok is alleen maar zwart.” Ze keek naar haar handen. “Goh, hij geeft niet eens af.”
“Hij is wel verbrand. Hij was eerste bruin en nu is hij zwart.” Even overwoog Worm om het meisje over de staf te vertellen maar dat deed hij toch maar niet. Hij pakte hem weer uit haar handen. Ze had gelijk. Alles in een cirkel van een meter of drie was totaal verkoold. De zachte moeras grond was tot zeker tien centimeter diep veranderd in zwarte as, maar zijn staf was alleen zwart. Misschien was hij niet helemaal kapot. Misschien kon meester Kriebelbaard er nog iets aan doen.
“Dat is niet echt een oude stok, hè?” vroeg Elfried, “dat is een staf. De staf.”
Worm reageerde niet. Opeens vroeg hij: “Hoe lang zijn we hier al? Hoe lang heb ik liggen slapen.”
Elfried antwoordde niet. Ze staarde voor zich uit over het moeras.
“Ik ben verloren,” fluisterde ze, “verdoemd. De ouden zeiden het al bij mijn geboorte. Zij zal het pad verlaten en de Woudwicht zal haar nemen.
Elfried keek Worm indringend aan:” Doe het monster, zuig mijn ziel op!” Ze spreidde haar armen en keek met een getergde blik de lucht in.
“Wat sta je nou te kakelen, Elfried? Geen wonder dat Grobben een hekel aan Woudlings hebben. Ik ben Worm en ik wil naar huis.”
“Oh wreed monster. Je hebt twee keer mijn leven gered. Ik ben geheel in je macht. Ik moet je dienen.”
Nog steeds stond Elfried met gespreide armen naar de lucht te staren. Worm wist niet wat hij moest beginnen. Toen kreeg hij een idee. Hij stond op, haalde uit en sloeg Elfried keihard in haar gezicht.
“Au,” schreeuwde het meisje, “waarom deed je dat?”
“Ik had effe geen zin om je op te zuigen. Ben je weer wakker of wil je nog een klap op je ziel? Ik ben Worm en ik ben niet de Woudwicht. Ja, begrijp je. En ik wil naar huis want misschien kan ik moeder Terra nog redden.”
“Maar die staf dan? Ik heb gehoord dat de Woudwicht ook een toverstaf heeft en dat hij elke gedaante kan aannemen die hij wil,” Elfried wreef met een grimas over haar snel rood wordende wang.
“Dat van die staf vertel ik je wel onder het lopen, maar we moeten nu echt opschieten. Oh als ik je heb pijn gedaan spijt het me maar je stond opeens zo te bazelen. Kom op, we gaan terug,” zei Worm nu resoluut, “we hebben al genoeg tijd verloren. Wie weet kunnen we nog wat voor moeder Terra doen.”
Elfried haalde haar schouders op. Ze leek weer tot rust gekomen. Ze liep naar het paadje dat in de richting van het Grobbendorp in het moeras verdween.
De terug weg naar het dorp verliep zonder problemen.
Onder het lopen vertelde Worm dat hij de staf van moeder Terra had gehad en dat de staf hem soms een enorme kracht leek te geven. Hij vertelde haar ook dat die kracht nu helemaal uit de staf verdwenen leek te zijn. Het leek Worm niet verstandig om haar te vertellen dat met de kracht ook een moordlust bezit van hem nam. Wie weet zag ze hem dan weer voor een of ander monster of geest aan en begon ze weer te bazelen. Elfried luisterde aandachtig maar stelde verder geen. Het was niet zo heel ver van het eendenjagershuisje naar het dorp dus toen Worm klaar was met zijn verhaal stonden ze zo wat aan de rand van het Grobbendorp. Vlak voordat de twee het dorp bereikten, bleef Elfried staan.
“Wat is er?” vroeg Worm.
“Ik ga niet mee het dorp in,” zei Elfried, “en als ik jou was zou ik ook maar voorzichtig zijn.”
Worm keek haar verbaasd aan.
“Denk je nou echt dat die domme Grobben je met open armen zullen ontvangen,”zei Elfried geïrriteerd, “wordt even wakker, zeg. Ze geven jou de schuld van alles. Je mag blij zijn als je het overleeft, maar ik denk dat die kans erg klein is.”
Worm staarde voor zich uit. Wat Elfried zei had Worm zelf ook wel bedacht, maar hij wilde het niet aan zichzelf toegeven. Natuurlijk zouden ze hem niet met open armen ontvangen. Nee ze zouden hem met knuppels ontvangen, opgeheven knuppels. Ze zouden hem, precies zoals Elfried zei, de schuld geven dat de soldaten en de Vlaken dit keer met de houthalers naar het dorp waren meegekomen en nam ze dat maar eens kwalijk. Heer Logh, de Vlaken, was naar het dorp gekomen om het heksenjong gevangen te nemen. Of nee hij was gekomen om het heksenjong, Worm dus, te doden. Daar kon zeker na wat de Vlaken bij het oude eendenjagershuisje zelf had gezegd geen twijfel aan bestaan.
Dat mocht dan zo zijn maar toch moest Worm terug.Misschien kon hij Terra nog helpen maar hij moest in ieder geval naar Knoest en Boombast zoeken. Even schoot het door hem heen dat zijn vader en broer hem ook weleens niet meer zouden willen zien, maar die gedachte was te vreselijk en Worm verdrong hem daarom snel.
Met z’n drieën zouden ze kunnen proberen Terra uit de greep van de soldaten te bevrijden.
“Ik ga het dorp in,” zei Worm, “om mijn broer en mijn vader te zoeken en dan gaan we proberen mijn moeder te bevrijden.
Elfried knikte. “Een eervolle taak,” mompelde ze, “waar de ouden zeker mee instemmen. Ik wacht hier wel op jullie.”
“Waarom?” vroeg Worm verbaasd, “ waarom ga je niet terug naar je Woudlingdorp. Het wordt echt geen gezellig tochtje.” Hij vroeg zich ook af wie ze nu weer met die ouden bedoelde, maar dat liet hij nu maar even rusten.
Elfried keek Worm met haar grote ogen aan.
“Dat kan ik niet, Worm. Je hebt mijn leven gered, twee keer zelfs. Ik ben je nu twee levens schuldig dat is de Wet van het Woud.”
“Nee hè,” dacht Worm, als ze niet denken dat de dingen zijn zoals ze zijn omdat ze zo zijn dan is er wel weer zo iets als De Wet van het Woud.”
Niettemin zei hij tegen Elfried: “Wat is dat de Wet van het Woud. Ik heb er nog nooit van gehoord en ik woon toch ook al heel lang in dit woud.?”
“Nee, natuurlijk heb je daar nooit van gehoord,” antwoordde Elfried uit de hoogte, “jij bent een Grobbe.” Op een plechtige toon ging ze verder: “Er zijn 1024 Wetten van het Woud. De ouden kennen de Wetten van het Woud allemaal uit het hoofd. Zij bewaken de Woud Wetten.
“Komt er wel eens eentje bij of gaat er weleens eentje af? ” vroeg Worm en hoewel hij eigenlijk het antwoord op zijn vraag wel wist, schrok hij van Elfrieds reactie. Worm had direct spijt van zijn vraag. Knoest had het hem zo vaak gezegd. Stop nu eens met vragen. De dingen zijn zoals ze zijn en daarom zijn ze zo. Je hoeft niks te vragen.
Elfried sprong minstens een halve meter in de lucht en slaakte een gilletje. Ze liet zich direct vanuit haar sprong op haar knieën vallen en drukte nogal hard haar voorhoofd tegen de grond aan. Worm vertrok zijn gezicht. Dat moest pijn hebben gedaan. Elfried liet echter niets van pijn blijken. Met haar hoofd tegen de grond gedrukt begon ze luidkeels: “Oh grote Woudgeest vergeef het hem, oh grote Woudgeest vergeef het hem.” te roepen.
Worm staarde geschrokken naar het Woudling meisje. Hij keek ook om zich heen. Dit geschreeuw konden ze tot in het dorp horen. Zo zou hij nooit ongezien het dorp in kunnen sluipen.
Elfried was net aan de vijfde herhaling begonnen toen Worm haar bij haar schouders pakte en hard door elkaar schudde.
“Het spijt me Elfried, siste hij, en het spijt me ook Grote Woudgeest, maar nu moet je je kop houden. Het hele dorp kan je horen. Ik zal het nooit meer doen”
Worm wist eigenlijk niet zo goed wat hij nooit meer zou doen, maar hij dorst het niet aan Elfried te vragen. Wellicht zei hij dan weer iets dat haar een aanval van deemoed en onderwerping zou bezorgen.
Elfried hield op met roepen en hief haar hoofd van de grond. Ze keek Worm met haar grote maar nu angstige ogen aan: “Meen je dat, meen je dat werkelijk uit het diepst van je hart?”
De manier waarop Elfried deze woorden zei en de blik die daarbij in haar ogen verscheen, maakte iets in Worm los. Elfried was heel anders dan die lelijke groene wrattige Grobbenmeisjes. Elfried was mooi. Daarom knikte hij heftig. “Tot in mijn tenen,” voegde hij er nog enthousiast aan toe.
Dat laatste was iets teveel. Worm zag twijfel in de opgeheven blik van Elfried verschijnen en even was hij bang dat ze zich weer ter aarde zou werpen.
“Mag ik je nog iets vragen, zei Worm daarom snel. Het was gewaagd om weer een vraag te stellen maar het leek de situatie te redden.
Elfried zei geen ja of nee maar ze begon ook niet opnieuw de Woudgeest aan te roepen. Daarom gin Worm er maar vanuit dat zwijgen in dit geval toestemmen betekende.
“De wetten hè, de Wetten van het Woud, gelden die voor alle bewoners van het woud of alleen voor Woudlings?”
“Voor iedereen natuurlijk, antwoordde Elfried onomwonden. “Nou ja, niet voor de dieren natuurlijk.”
“Maar Elfried, hoe kunnen Grobben zich nu aan de Wetten van het Woud houden, als ze die wetten niet eens kennen.”
“Grobben zijn te stom om de wetten van het woud te kennen, antwoordde Elfried uit de hoogte.
“Maar Grobben zijn toch zeker geen beesten,” zei Worm boos.
Nee, nou niet meer. Omdat ze zo goed voor de bomen zorgen heeft de Woudgeest ze in Grobben veranderd.”
“Oh”, zei Worm nog bozer, “wat waren ze dan eerst?”
Bosvarkens”, antwoordde Elfried zonder een spoor van twijfel in haar stem.
Worm knikte weer heftig. “Oh is dat zo, zei hij met al het venijn dat hij in zijn stem kon leggen.
“En ik dan?” vroeg Worm voorzichtig. Hij wist vooraf dat hij niet blij zou zijn met het antwoord van de Woudling. Knoest had gelijk van vragen kwam alleen maar ellende.
“Jij???”
Worm zag dat Elfried erg over die vraag moest nadenken. “Jij bent geen Grobbe. Jij bent een mens.” Er verscheen een diepe rimpel op Elfrieds voorhoofd. Toen klaarde haar blik op.
“Maar je bent opgegroeid bij Grobben dus gedraag je je als een Grobbe en ben je net zo stom. Jij hoeft de Wetten van het Woud ook niet te kennen. Oh Worm wat een geluk de Woudgeest zal je je stomme vraag zeker vergeven.”
Elfried sprong blij overeind. Worm keek haar woedend aan.
“Maar je wil wel bij die stomme roze Grobbe blijven?”
“Zie je wel, Worm je snapt er niks van. Ik heb jet je uitgelegd van die twee levens maar je begrijpt het gewoon niet. Je hoeft de Woudgeest echt niet te vrezen.”
Als Elfried nog geen twee minuten geleden iets in Worm had losgemaakt, was dat nu weer muurvast komen te zitten. In plaats van een knap Woudling meisje zag hij nu een arrogant serpent voor hem staan. Worm zinde op wraak en opeens schoot hem iets te binnen. Als hij dan zo stom was dan zou hij nog eens een stomme vraag stellen. Dat zou haar leren.
“Elfried, de Grobben zijn erg bang voor de Woudwicht,” begon Worm. Hij zag dat Elfrieds ogen zich vernauwden en daarom ging hij door. “Zijn de Woudgeest en de Woudwicht eigenlijk dezelfde of …?”
Verder kwam Worm niet. Elfried lag alweer met haar hoofd tegen de grond te bonken.
“Oh Grote Woudgeest vergeef het hem, Oh Grote Woudgeest vergeef het hem.”
Grijnzend greep Worm Elfried bij haar schouders. Hij was even vergeten dat haar geroep het Grobbendorp op hun aanwezigheid opmerkzaam kon maken. Het effect van zijn vraag maakte dat meer dan goed. Hij hoopte dat ze de rest van de dag flink hoofdpijn zou hebben.
Elfried keek weer op. Tot Worms verbazing en vooral ergernis keek ze hem niet boos of angstig maar gelukzalig aan.
“Oh Worm,” fluisterde ze, “je bent niet door een Vleeseik uit elkaar gereten en zelfs niet aan de takken van een Dolle Wilg gespietst. Ik heb je leven gered. Ik ben je nog maar één leven schuldig.”
Worm zette grote ogen op.
“De vraag die je stelde Worm is de ergste schending van de Wetten van het Woud die bestaat. De Woudgeest zou je zeker gedood hebben ondanks dat je een stomme Grobbe bent. Maar door mijn reactie leef je nog.”
“Zal ik het nog een keer vragen,” zei Worm sarcastisch, “dan ben je van je taak af. Als het zo makkelijk gaat.”
“Nee, oh nee, Worm. De tweede keer zou de Woudgeest je zeker verpulveren. Dan kan ik je niet meer redden. Nee, ik moet je nu voor een woedend Donderzwijn wegtrekken of je uit een zuigpoel sleuren of zoiets, maar de Woudgeest zou je een tweede keer nooit vergeven.”
Het lag op Worms lippen om de vraag nog eens te stellen. Hij wilde nog wel eens zien of de Woudgeest hem zou doden maar dat deed hij toch maar niet. In plaats daarvan vroeg hij wat er zou gebeuren als Elfried hem niet nog eens het leven zou redden en zij hem dus één leven schuldig bleef.
“Dan ben ik verdoemd,” antwoordde de Woudling op zo’n toon dat het zelfs voor Worm duidelijk was dat verder doorvragen zinloos was.
“Nou goed, dan ga ik maar. Ik heb geen idee of ik hier weer terug kan komen, maar ik hen het idee dat dat weinig uitmaakt. Je vindt me toch wel.”
Elfried knikte. “Ik zal je zeker vinden, Worm of je het wil of niet.”

Worm draaide zich om en liep verder in de richting van zijn dorp. Voor hij de eerste huisjes bereikte verliet hij het pad en sloop tussen de bomen verder. Hij verbaasde zich over zichzelf dat hij zo gemakkelijk het pad verliet al was het dan ook vlak bij het dorp. In de ogen van de Grobben kreeg je dan zeker met de Woudwicht van doen. Maar ja wat maakte het uit als er ook nog een Woudgeest door het bos spookte die blijkbaar wetten verzon waaraan alle bosbewoners zich moesten houden. Hij had tot voor kort nog nooit van de Woudgeest gehoord. Hoe moest hij nu weten of hij een wet van dat wezen overtrad. Tot nu toe had hij nog nooit last gehad van één van de twee geesten dus hij moest het er maar op wagen.
Het liep tegen de middag. Ondanks dat tijdstip zag Worm geen enkele beweging op het dorpsplein. Het leek wel of alle Grobben verdwenen waren.
“Zouden die soldaten ze allemaal hebben meegenomen,” vroeg hij zich af, “wellicht als wraak omdat ik die Vlaken gedood heb.”
Toch bleef Worm voorzichtig. Vanachter een dikke Dondereik bespioneerde hij het dorpsplein. Zijn voorzichtigheid werd beloond, want de deur van de school ging open en meester Zetsnor en Wortelneus kwamen naar buiten. Worms ogen vernauwden zich. Die gemene Zetsnor had met de Vlaken staan smoezen. Worm wist zeker dat hij hem aan de Vlaken verraden had. En die moddergraver liep daar nu vrolijk met Wortelneus te praten. Waarom gaven die stomme Grobben hem niet de schuld. Hij had dat monster en zijn soldaten naar het dorp gehaald. Worm greep zijn geblakerde staf steviger vast. Toch was hij ook opgelucht dat hij Wortelneus zag. De soldaten hadden blijkbaar niet het hele dorp tot slaaf gemaakt.
Nu Worm wat beter keek was het gebabbel tussen Wortelneus en Zetsnor nu ook weer niet zo vrolijk. Hij kon niet horen wat ze tegen elkaar zeiden, maar aan hun gebaren te oordelen, ging het er heftig aan toe. Meester Zetsnor stond met zijn vinger voor Wortelneus enorme neus te zwaaien en Worm zag dat Wortelneus zijn hand naar zijn knuppel liet gaan die aan zijn riem hing.
Worm had wel willen schreeuwen: Ja, goed Wortelneus, sla hem voor z’n kop. Geef die verrader z’n vet en jaag hem het bos in.” Hij wist echter wel beter. Wortelneus zou niet Zetsnor maar hemzelf waarschijnlijk de grond in heien.
Worm maakte van de ruzie gebruik om ongezien om het dorpsplein heen te sluipen. Behalve de twee ruziemakers was er verder geen levend wezen te zien.
“Hé Worm.”
Worms hart zakte tot diep in zijn schoenen. Hij draaide zich met een ruk om. Zijn staf greep hij met beide handen vast. De magie mocht er dan uit zijn. Je kon er nog altijd iemand een flinke mep mee op z’n hoofd verkopen. Worm hief de staf boven zijn hoofd.
“Moge de dingen blijven zoals … Hé niet slaan. Ik ben het Drommel.”
Worm hield de staf boven zijn hoofd stil en liet hem toen zakken.
“Zoals de dingen zijn, zijn ze goed, Drommel,” antwoordde Worm gewoonte getrouw.
“De dingen zijn helemaal niet goed zoals ze zijn, Worm, helemaal niet.
“Dat een Grobbe dat tegen mij moet zeggen,”dacht Worm, maar hij zei: Kunnen wie hier ergens veilig praten, Drommel en kun jij me dan vertellen wat hier allemaal gebeurd is?”
“Daar hebben we geen veilige plek voor nodig, Worm. De soldaten hebben jouw moeder en mijn vader meegenomen en ze hebben jullie huis in brand gestoken.”
“En Knoest en Boombast, heb je die gezien?”
Drommel sloeg zijn ogen neer.
“Aardkorst en Schorsnagel zijn uit zichzelf met de soldaten meegegaan,” ging Drommel verder alsof Worm nooit een vraag had gesteld,” de gemene verraders. Ze zeiden dat het mijn vaders eigen stomme schuld was dat ze hem meenamen. Hij had jou allang aan de Vlaken moeten uitleveren.
Toen sprongen de tranen in Drommels ogen en schoot er een dikke brok in zijn keel. Met veel moeite slikte hij de brok weg.
“Wat is er trouwens met jouw kleren gebeurd?” vroeg Drommel nogal opzichtig om van onderwerp te veranderen.
Worm liet zich echter niet van het onderwerp afbrengen. Hij moest en zou weten wat er gebeurd was.
“En verder Drommel. Ik wil alles horen wat je weet. Wat is hier gisteren allemaal gebeurd?”
Drommel liet zijn tranen nu de vrije loop. Snikkend zei hij: “ Maar Worm het lijkt wel of je in een kampvuurtje heb liggen slapen.” Drommel snoot zijn neus tussen zijn vingers en veegde met de mouw van zijn wambuis het snot weg. “Gadver, je stinkt ook helemaal naar rotte eieren.”
“Wat is er gebeurd Drommel,” hield Worm vast, “hou op met dat gejank en vertel me wat er gebeurd is.”
Drommel haalde zijn neus op en keek Worm met rode ogen van het huilen aan. Hij knikte. “Oh goed, als je dan persé alles wilt weten, loop dan maar achter me aan. Ik weet wel een plaats waar we ongestoord kunnen praten. Maar ik waarschuw je, de dingen zijn helemaal niet goed meer zoals ze zijn, helemaal niet.”
Toen draaide Drommel zich schokschouderend om en liep tussen de bomen door in de richting van het moeras. Worm liep achter hem aan. Ondertussen speurden zijn ogen tussen de bomen door naar een verder teken van leven in het dorp, maar hij zag of hoorde niets. Behalve Wortelneus, Zetsnor en Drommel leken de andere Grobben wel van de aardbodem verdwenen.
“Waar is iedereen?”
Oh, binnen. Na gisteren durven de meesten hun huisje niet meer uit te komen. De dingen zijn niet goed zoals ze zijn. En ja ze zijn ook bang dat de soldaten terugkomen,” antwoordde Drommel.
“Maar dan kunnen ze toch beter vluchten?” vroeg Worm verbaasd maar ook geïrriteerd. Het was een domme vraag waar hij het antwoord al op wist. Natuurlijk zouden de Grobben niet vluchten. Waar moesten ze heen. Nee, die stomme Grobben staken gewoon hun kop in het zand. Over twee dagen zouden ze niet meer over Terra en Houthak praten en zouden de dingen weer goed zijn zoals ze zijn. Bovendien waren de dingen zoals ze waren en dus waren ze zo. Wat kon je daar als Grobbe aan doen? Gewoon niet meer over praten , niet meer aan denken en volhouden dat het nooit gebeurd was dan ging het allemaal vanzelf over.
Drommel gaf geen antwoord. Al snel kwamen ze aan de rand van het moeras niet ver van de plaats waar Worm afscheid had genomen van Elfried. Ze stonden aan de voet van een uitzonderlijk dikke Dondereik. De takken van de reusachtige boom kwamen tot vlak boven de grond en waren op zich zelf net zo dik als een gewone doorsnee boom. Worm kon zich niet herinneren dat hij hier ooit eerder was geweest. De plek was ook niet langs een pad vanuit het dorp te bereiken. Er waren dus blijkbaar meer Grobben die wel eens van de paden afdwaalden. Drommel klom langs de laaghangende takken de boom in. Worm volgde hem op de voet en zag al snel dat er een meter of zes boven de grond een kleine hut in de boom gebouwd was.
De twee jongens gingen de hut binnen. De boomhut was leeg. Worm vroeg vol bewondering: “Heb jij deze hut gebouwd, Drommel?”
Drommel snoot zijn neus, wreef met zijn beide vuisten in zijn ogen en haalde diep adem.
“Samen met m’n vader,” antwoordde hij met een van tranen verstikte stem.
Worm knikte. “Mooi hoor,” zei hij maar liet er ogenblikkelijk ongeduldig op volgen: “Nou kom op, wat is er gebeurd?”
Drommel ging op de grond zitten en stak van wal.
Hij vertelde dat de houthalers, de soldaten en de Vlaken met z’n twee Nukken met veel kabaal en geschreeuw het dorp waren binnengestormd. De soldaten waren onmiddellijk naar de huisjes van terra en Houthak gegaan om ze gevangen te nemen. Ze hadden Knoest en Boombast ook mee willen nemen maar die waren er blijkbaar niet. Toen de soldaten bij het huis kwamen waar Houthak en Drommel woonden hadden ze luid op de deur gebonsd en geschreeuwd dat ze snel open moesten doen. Houthak had de duer geopend maar hij had eerst Drommel door een achterdeurtje laten ontsnappen. Drommel had daarom niets gezien van wat er daarna op het dorpsplein was gebeurd. Hij was naar z’n boomhut gevlucht en had zich daar verscholen. Hoelang hij daar had gezeten voor het kabaal op het dorpsplein begon wist hij niet meer. Opeens klonk er woedend geschreeuw. Drommel was erg bang maar ook heel nieuwsgierig en dat laatste won het. Hij was de boom uitgeklommen en naar het dorpsplein geslopen. Toen staakte Drommel zijn verhaal en keek Worm met grote ogen aan.
“ Nou, je stopt toch niet weer hè, zei Worm ongeduldig, “Wat gebeurde er op dat plein Drommel. Waarom was er ineens zoveel herrie?”
Drommel schudde zijn hoofd.
“Drommel, kom op vertel verder,” Worm wilde de woorden wel uit Drommels strot trekken.
“Dat kan ik niet,” zei de Grobbenjongen snikkend, “echt Worm ik kan niet verder vertellen.”
“Waarom niet,” vroeg Worm boos, “ik wil het horen.”
“Nee, dat wil je niet Worm,” zei Drommel zachtjes.
Ergens in Worms brein ging een lichtje op. Zijn maag kromp samen. Hij begreep langzaam maar zeker waarom Drommel niet verder wilde vertellen.
“Heeft het iets met moeder Terra te maken?” vroeg Worm gespannen.
“Nee, nee,” snikte Drommel, “nee, nou ja ook.” En hij begon opnieuw met zijn hoofd te schudden.
“Het heeft iets met Knoest en Boombast te maken hè,” zei Worm, “er is iets met hun gebeurd.”
Drommel draaide zijn hoofd weg en sloeg zijn handen voor zijn ogen.
“Zijn Knoest en Boombast ook door de soldaten meegenomen,” vroeg Worm hoopvol. Het antwoord van Drommel deed zijn ergste vrees uitkomen.
“Nee, Worm ze zijn niet meegenomen. Alleen vader en moeder Terra zijn meegenomen.”
Worm bleef Drommel aankijken en opeens gooide de Grobbe het eruit.
“Ze zijn dood, Worm, ze zijn hartstikke dood. De dingen zijn zoals ze zijn Worm en daarom zijn ze zo. Begrijp dat nou eens één keer.”
De laatste opmerkingen had Worm niet meer gehoord. Hij had het wel gedacht. Al dat geaarzel en gejank van Drommel. Hij had het geweten. Worm voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Met moeite bleef hij overeind zitten in de kleine boomhut van Drommel. Hij kon geen woord meer uitbrengen. Geen vraag meer stellen. Natuurlijk wilde hij weten wat er precies gebeurd was maar tegelijkertijd wilde hij het niet horen. Hij wilde niets meer horen. Wegzinken in vergetelheid. Alles ontkennen. Zoals de dingen zijn, zijn ze goed en moge de dingen blijven zoals ze zijn. Wie? Wie zeg je? Knoest? Nooit van gehoord. Boombast? Wat een rare naam. Nee die ken ik niet. Moeder Terra? Ja dat kleine dikke mens toch. Ik geloof dat de in de stad is gaan wonen. Worm staarde wezenloos voor zich uit. Hij zei niets en ook Drommel zei niets. Langzaam begon hij heen en weer te wiegen en te prevelen: Zoals de dingen zijn, zijn ze goed. Zoals de dingen zijn, zijn ze goed.”
Drommel keek hem verbaasd aan en knikte toen instemmend. “Ja Worm, zoals de dingen …
Maar verder kwam Drommel niet. Er klikte iets in Worms hoofd. Het leek of er een schakelaartje overging.
“Nee stomme Grobbe,” schreeuwde hij, “ze hebben Knoest en Boombast vermoord die smeerlappen. Daar zullen ze voor boeten. Niet alleen die verdoemde Vlaken met zijn gemene Nukken maar ook de soldaten en iedereen die er nog meer mee te maken heeft. Vertel verder Drommel. Ik wil alles weten.”
De laatste woorden waren eruit gekomen als een bevel. Drommel keek Worm angstig aan en besloot dat het maar het beste was te doen wat Worm hem zei.
“Toen ik bij het dorpsplein aankwam, ging Drommel verder, “stonden alle Grobben uit het dorp in een grote kring rond de school. Tegen de schoolmuur lagen mijn vader en moeder Terra en er stonden vier soldaten voor hen maar hun zwaarden in de hand. Tussen de soldaten en hun gevangenen stond meester Zetsnor te schreeuwen. Hij schreeuwde niet tegen de soldaten maar tegen Knoest en Boombast die met hun houthakkersbijlen in hun handen voor de soldaten stonden.
Knoest schreeuwde ook. Hij schreeuwde dat als ze Terra niet zouden vrijlaten hij hun koppen van hun romp zou slaan en meester Zetsnor riep dat hij het dorp dan nog verder in het verderf zou storten. En toen… En toen stormden Knoest en Boombast naar voren. Op de soldaten af. Die probeerden zich te verdedigen maar ze hadden geen schijn van kans. Knoest sloeg het hoofd van één soldaat af en Boombast dat van een ander. Het bloed spoot in het rond, Worm. De andere twee soldaten probeerden weg te vluchten en Knoest had zeker Zetsnors schedel gekloofd als niet ...”
Drommel stopte weer. Hij begon met zijn hoofd te schudden, maar ging toch uit zichzelf verder.
“Toen waren ze dood, Worm. De Woudwicht moge ze halen. Ze vielen allebei voorover op hun gezicht. Zomaar ineens. Ze hadden allebei een pijl in hun rug en ik geloof Boombast zelfs twee. De soldaten die jou hadden achtervolgd waren teruggekomen.”
Drommel zweeg. Worm staarde voor zich uit.
“En Terra?” vroeg hij schijnbaar onbewogen.
“Terra en Houtak hebben ze meegenomen. Iedereen was bang dat de soldaten wraak zouden nemen op de andere Grobben, maar dat deden ze niet. Meester Zetsnor sprak met ze. Ik weet niet of dat geholpen heeft. Die Vlaken en zijn monsters waren er ook niet meer bij. Ik weet niet waar die gebleven waren.”
“Ik wel,” antwoordde Worm vlak, “ik heb ze gedood.”
Drommel keek Worm geschokt aan. Hij geloofde er niets van dat Worm die machtige monsters gedood zou hebben. Worm was de kluts kwijt en hij bazelde maar wat, maar dat was na zo’n verhaal ook net zo gek, dacht Drommel.
“Waar zijn Knoest en Boombast nu,” vroeg Worm.
“Zetsnor en een paar anderen hebben ze naar jullie huisje gesleept.”
“En begraven?” vroeg Worm kil.
“Dat weet ik niet,” antwoordde Drommel.
Worm stond op. “Ik ga kijken,” zei hij resoluut.
Ook Drommel stond op.
“Pas op, Worm, als de Grobben je te pakken krijgen, scheuren ze je aan stukken. De meesten geven jou de schuld van al deze ellende. Meester Zetsnor stookt ze op, maar daar hoeft hij niet veel moeite voor te doen.”
“En jij dan, Drommel. Jij bent toch ook een Grobbe. Bovendien hebben ze jouw vader meegenomen.
“Ik hoor niet bij de meesten Worm.”
Daar liet Drommel het bij.
Worm klom de boomhut uit en liep tussen de bomen door om het dorpsplein heen in de richting van hun huisje. Hij moest voorzichtig zijn want hij zag dat er nu meer Grobben over het plein en tussen de huisjes liepen. Wortelneus en Zetsnor hadden hun ruzie blijkbaar beëindigd. Ze waren in elk geval nergens meer te bekennen.
Op een vreemde manier voelde Worm zich veilig hier tussen de bomen van het woud. Wat kon hem nog gebeuren. Zijn moeder was als slavin weggevoerd en zijn vader en broer waren vermoord. Het interesseerde hem eigenlijk geen biet meer wat er met hem gebeurde. Hij werd zich bewust van de staf die hij in zijn hand hield. Even had hij de neiging om hem weg te gooien. Wat moest hij met dat geblakerde stuk oud hout. Het stomme ding was zo dood als een pier. Hij deed het niet. Ach wie weet kon hij hem nog gebruiken om Zetsnor voor z’n verraderlijke kop te slaan.
Al snel waren Drommel en Worm het dorp rondgelopen. Hoe meer Worm in de buurt van zijn verbrande huisje kwam des te meer lood hij in zijn schoenen kreeg. Wat zou hij aantreffen? De waarheid drong keihard tot Worm door. Boombast en Knoest waren dood. Dat zou hij aantreffen. Wat had hij anders gedacht? Voor het eerst sprongen nu de tranen in z’n ogen. En toen zag hij ze. Ze lagen naast elkaar voor de zwartgeblakerde deur van hun boomhuisje. Zonder nog maar een moment aan zijn eigen veiligheid te denken, rende Worm naar ze toe. Hij viel naast Knoest op z’n knieën. Zijn Grobbevader zag eruit alsof hij sliep. Worm voelde zich heel slap worden en liet zich over Knoest heen vallen. Zijn vader sliep niet. Hij voelde koud en hard als steen aan. Even bleef Worm zo liggen en toen liet hij Knoest los en omhelsde z’n Grobbebroer. Hij bleef over zijn broer heen liggen en liet zijn tranen de vrije loop.
Hoelang hij zo gelegen had, wist hij niet maar langzaam werd Worm zich bewust dat iemand aan zijn schouder stond te sjorren en te trekken.
“Donder op. Laat me met rust,” grauwde hij.
“Nee, nee,” zei een stem, “je kan hier niet blijven, Worm. Je moet meekomen. Ze komen eraan.”
Worm schudde zich los en liet zich weer over zijn broer heen vallen.
“Worm alsjeblieft, sta op,” bleef de stem aanhouden, “als je je hier te pakken krijgen maken ze je af.”
Worm kende de stem. Natuurlijk het was de stem van Drommel. Worm draaide zijn hoofd om.
“Kom op, Worm maak dat je wegkomt. Zetsnor, Kenau, Wortelneus en nog een stuk of zes anderen komen eraan. Ze hebben scheppen bij zich. Ik denk dat ze een graf voor je vader en je broer gaan graven.”
Worm liet zijn broer los en ging rechtop zitten. Hij greep zijn geblakerde staf stevig vast. Oh. Zat er nog maar leven in dan zouden ze ook voor die smerige verrader van een Zetsnor een graf kunnen graven.
Maar er zat geen leven meer in en als hij met dit dode stuk hout Zetsnor en de Grobben te lijf zou gaan, zouden ze hem snel de baas zijn. Even schoot het door Worm heen dat dat misschien helemaal niet zo erg was. Hij had toch niets meer om voor te leven. Hij kon zich net zo goed laten pakken en dood laten slaan. De dingen zijn nu eenmaal zoals ze zijn en Toen knapte er weer iets in Worms hoofd. Hij had genoeg van de Grobbenpraat. Bovendien had hij nog twee dingen te doen. Hij moest proberen moeder Terra te bevrijden en hij moest wraak nemen voor de dood van Knoest en Boombast. In de eerste plaats op Zetsnor en dan op die gemene soldaten en degenen die ze gestuurd hadden.
Worm wierp nog een laatste blik op z’n Grobbe broer en z’n Grobbe vader. Toen draaide hij zich om en rende het woud in.
“Hé,” hoorde hij Zetsnor achter zich roepen, “daar neemt iemand de benen. Ik mag doodvallen alls dat dat heksenjong niet is.”
“Je mag zeker doodvallen,”schreeuwde Worm, “hoe eerder hoe beter.” Maar hij wist niet of Zetsnor hem wel gehoord had. Worm rende zo hard zijn benen hem konden dragen tussen de bomen van het woud door. Hij had een vaag idee dat hij in de richting rende van Kriebelbaards huis. Het maakte hem nu even niet uit als hij maar uit handen bleef van Zetsnor en de Grobben.
“Achter hem aan, grijp dat heksengebroed,” hoorde hij Zetsnor schreeuwen. Worm hoorde nu ook zware voetstappen achter zich. Takjes braken en bladeren knisperden onder de voeten van zijn achtervolgers. Worm keek niet om. Zo hard als hij kon rende hij voort. Hij sprong over omgevallen bomen en schampte langs het ruw schors van dondereiken.Hij had een vaag idee dat hij in de richting rende van Kriebelbaards huis maar dat interesseerde hem minder dan uit de handen van Zetsnor en de Grobben te blijven.
“Hé, Dalidus, liefste, snoepje, je gaat te hard. Ik kan je niet bijhouden,” klonk een amechtige vrouwenstem, “ster van mijn leven, wacht op me!”
“Nee, Kenau,” hijgde Zetsnor, “ik heb hem bijna in zijn kladden. Ik kan al hem zien.”
Zetsnors stem klonk akelig dichtbij. Met zijn lange benen liep de schoolmeester een stuk harder dan Worm. Hij kon hem elk moment inhalen. Met al zijn kracht probeerde Worm sneller te gaan lopen. Hij vloog rakelings langs de enorme knoestige stammen. Hij sprong over dode takken die er alleen maar leken te liggen om hem te laten struikelen. Stekelige bladeren sloegen hem in zijn gezicht.
“Ik heb je, smerige roze slijmbal, vuil heksenjong,” riep Zetsnor triomfantelijk.
Worm verwachtte elk moment de magere hand van de schoolmeester in zijn nek te voelen. Hij greep zijn staf steviger vast. Hij zou zijn huid duur verkopen en Zetsnor in ieder geval een paar flinke blauwe plekken en een paar stevige bulten op z’n lelijke kop bezorgen.
Opeens was het stil. Geen gehijg meer, geen geluid van brekende takken of geen geknisper meer van dode bladeren. Het duurde maar een fractie van een seconde toen hoorde Worm een hese, rauwe kreet. Zetsnor stortte ter aarde. In volle vaart schoof hij op z’n buik tussen de dode bladeren en de afgevallen takken door. Zijn enige rem tijdens deze glijvlucht was zijn neus. Hij had zijn handen niet op tijd voor zijn gezicht kunnen krijgen om zijn val te breken. Zetsnor schoot met veel gekraak en geraas over de grond en kwam tot stilstand door flink hard met zijn kop tegen de stam van een Dondereik te botsen.
Zijn kreten van pijn en woede werden gesmoord door de dode bladeren die tijdens zijn val zijn mond gevuld hadden. Het enige geluid wat hij nu nog maakte was een gedempt gereutel.
“En dat is twee, riep een vrolijk opgewonden Elfried, “ik heb je voor de tweede keer het leven gered, Grobbe. Mijn taak is volbracht.
Op de plek waar Zetsnor aan zijn glijvlucht begonnen was stapte het Woudling meisje achter een boom vandaan. In haar hand hield ze een stok die ze gebruikt had om tussen Zetsnors lange magere benen te steken.
“Hij wilde me helemaal niet doden,” mompelde Worm, “hij wilde me gevangen nemen en aan de Grobben uitleveren.”
Elfried keek Worm vuil aan: “Maar dan willen die Grobben je toch doden.”
“Nee, dat denk ik niet,” zei Worm, “in elkaar beuken, ja, maar doden. In ieder geval niet met opzet.”
“Je liegt,” zei Elfried hoopvol, “natuurlijk willen ze je vermoorden.”
“Nee,” zei Worm, “ik lieg niet, vraag het hem zelf maar.”
Elfried stapte op Zetsnor af die nog steeds met zijn neus tussen de bladeren lag. Ze tilde Zetsnors hoofd aan een vette haarlok op en vroeg hem of hij van plan was geweest om Worm te vermoorden.
Zetsnor keek omhoog in het boze gezicht van Elfried. Het was welliswaar een meisje maar Zetsnor was ervan overtuigd dat zij een vriendin van Worm was en dat zij als hij toegaf dat hij Worm had willen vermoorden zij op z’n minst een mes in zijn keel zou planten. Hij schudde daarom zo goed en zo kwaad als het ging z’n hoofd heen en weer.
Elfried boog zich verder over hem heen zodat haar gezicht vlak voor dat van Zetsnor verscheen,
“Spreek de waarheid, mens. Heb je deze Grobbe willen vermoorden of niet?”
Zetsnor schudde weer met z’n hoofd en probeerde tegelijkertijd dwars door de bladeren in zijn mond heen te vertellen dat Worm geen Grobbe maar een heksenkind was.
De reactie van Elfried had Zetsnor niet verwacht. Zij liet zijn hoofd onverwachts los, zodat hij opnieuw keihard met zijn neus de woudbodem raakte.
Worm had het schouwspel met verbazing maar met steeds meer woede aangekeken. Nu werd het hem allemaal te veel. Daar op de grond lag de vuile verrader die ervoor gezorgd had dat Terra ontvoerd was en dat Boombast en Knoest vermoord waren. Worm slaakte een woeste kreet en hief zijn geblakerde staf boven zijn hoofd. Met volle kracht liet hij de staf neerkomen en hij had Zetsnor keihard op z’n kop geslagen als Elfried de slag niet had opgevangen met dezelfde stok waarmee ze Zetsnor had laten vallen.
“Wat ben jij van plan?” schreeuwde Elfried ontsteld.
“Dat monster zijn hersens inslaan,” hijgde Worm geheel naar waarheid.
“Zijn hersens inslaan? Oh nee, daar komt niks van in. Ik heb dat mens laten vallen en als jij hem nu doodslaat dan moet ik jou weer doodslaan. Zo luidt de Wet van het Woud.”
“Weet jij wat je met je Wet van het Woud kan? Je kan het in je …”
“Oh liefje, snoepje, wat hebben die moddervreters met je gedaan?”
Kenau zwoegde met haar dikke lichaam tussen de bomen door. Ze staarde naar haar snoepje en toen naar Worm.
“Hier zul je voor boeten, kereltje,” grauwde ze met een heel andere stem waarmee ze haar man had aangesproken.
“Gatver de gatver,” Zetsnor probeerde de dorre bladeren uit zijn mond te spugen. “Gat grr eh, smerige troep.”
Kenau keek weer naar haar man en werd door een golf van medelijden en emotie overvallen. Ze liet zich met haar volle honderd twintig kilo op haar geliefde echtgenoot vallen. De lucht werd uit Zetsnors longen geperst. Daardoor opende hij zijn mond vlak voordat zijn gezicht voor de derde keer met grote kracht tegen de grond werd gesmakt.
“Oh snoepje, ster van mijn leven. Kom maar ik zal je helpen.” Kenau begon verwoed over Zetsnors hoofd te wrijven.
“Kom op , Worm, we gaan ervan door,” zei Elfried gehaast, “we moeten ver weg zijn voor die twee gekken weer bij hun positieven zijn. Trouwens waar zijn die andere Grobben?”
“Die dorsten niet van het pad af,” zei Worm.
Elfried rende echter al verder het woud in. Worm keek nog even met spijt naar Kenau en Zetsnor. Kenau hield aar man nog steeds onder haar dikke lichaam gevangen.
“Oh wat zou ik die smeerlap graag zijn kop afslaan,” dacht Worm. Hij deed het niet. Hij draaide zich om en volgde Elfried het woud in.

Hfdst 5:

Het was niet ver van het Grobbendorp naar het boomhuis van meester Kriebelbaard. Elfried en Worm renden niet maar ze stapten wel stevig door. Ze gingen dwars door het woud, omdat ze zeker wisten dat de Grobben hen dan niet zouden durven volgen. Bovendien gingen de Grobben ervan uit dat de boosaardige Woudwicht wel korte metten met het heksenjong zou maken. Worm keek in het begin nog angstig om zich heen. Het was één ding om van het pad af te wijken als je op de vlucht was voor soldaten of woedende Grobben, maar zo zonder directe noodzaak door het woud heen stappen was toch iets heel anders. Dan had je de tijd om na te denken wat er allemaal met je kon gebeuren. De Grobben dachten dat als je ook maar even van het pad afweek de Woudwicht verscheen om je ziel door je neusgaten op te zuigen. Er waren al een een minuut of tien verstreken en de Woudwicht was nog steeds niet opgedoken. Worm kalmeerde. Elfried maakte al helemaal niet de indruk dat ze zich om de Woudwicht druk maakte. Ook van een achtervolgende meester Zetsnor hadden ze geen last meer.
Na een half uur bogen ze naar het westen af, waardoor ze toch al snel weer het pad kruisten van het Grobbendorp naar het huisje van Kriebelbaard leidde.
“Verberg je hier tussen de bomen en het struikgewas,” zei Elfried tegen Worm, “ik ga kijken of het pad veilig is.” Elfried had duidelijk de leiding op zich genomen.
Ze liep voorzichtig het pad op. Ze luisterde ingespannen of ze verdachte geluiden kon opvangen. Vervolgens liet ze zich op haar knieën zakken om de grond op sporen te onderzoeken. Wie weet waren de Grobben op het idee gekomen om hen tussen het Grobbendorp en het huis van Kriebelbaard op te wachten. Gealing kon niets verdachts vinden en toen ze ervan overtuigd was dat het veilig was riep ze Worm en zetten ze hun weg over het pad voort. Nu ze niet voortdurend over dode takken heen hoefden te klauteren en zich tussen struikgewas door hoefden te wurmen, schoten ze veel harder op.
“We komen in de buurt,” zei Worm, “ik denk dat het hooguit nog een minuut of tien duurt voor we er zijn.”
Voor hen op het pad schoten paarse en groene vlammen tussen de bomen vandaan. Door de vlammen werden de enorme eiken spookachtige paars en groen verlicht. Er klonk een luid gesis.
Worm en Elfried bleven stokstijf staan. Het hart klopte in Worms keel.
“Wat was dat?” fluisterde hij tegen Elfried.
“Elfried gaf geen antwoord. Ze greep Worm bij z’n arm en trok hem van het pad af. Gespannen wachten ze tussen de struiken af wat er verder zou gebeuren.
Even bleef het stil en toen begon iemand of iets te zingen. Eerst zacht en toen steeds luider. Het was een nogal eentonig zeurderige melodie en bovendien had de zanger een stem als een schorre kraai. Weer schoten groene en paarse over het pad. Er klonk een luide knal en een onmiskenbaar: “Au, m’n fikken.”
Het volgende ogenblik vloog een gestalte in een paarse jurk achterwaarts tussen de bomen vandaan om keihard met zijn kont vijf meter van de plek waar Worm en Elfried zich verstopt hadden, op het pad terecht te komen. Er kwamen rookslierten tussen de kleding van de figuur uit. Nee, sterker. Er sloegen vlammen uit de mauwen en hals van zijn paarse jurk. De man stond in brand. Worm meende ook groene en paarse vlammetjes in de baard van de figuur te zien flakkeren. De figuur keek recht naar de plaats waar Elfried en Worm zich schuil hielden.
“Zo beste jongen, jij bent vroeg. Ik had je nog niet verwacht,” zei meester Kriebelbaard met zijn krassende kraaienstem.
Worm staarde met stomme verbazing naar de oude man die wijdbeens en nog steeds rokend midden op het pad zat.
“Zo, knul, ben je je tong verloren,” vroeg meester Kriebelbaard, “en wie is die schoonheid naast je. Zou je haar niet eens aan me voorstellen.”
“Oh, nee natuurlijk, neemt u mij niet kwalijk. Ik groet u meester Kriebelbaard, moge,” stotterde Worm ontdaan.
“Ja ho maar, ho maar, moge de luchtfiets van m’n tante op je tenen landen. Ik ben geen Grobbe. Laat dat Grobbe gewauwel maar zitten. Hallo is wel genoeg?” antwoordde meester Kriebelbaard. Hij stond op sprak een tongbrekende spreuk uit waardoor het roken ophield en de vlammen die nog steeds uit zijn mauwen sloegen doofden
“Zo,” zei meester Kriebelbaar, terwijl hij zijn pij afsloeg.
“De wat van uw tante?” vroeg Worm verbaasd.
“Tante, welke tante,” Kriebelbaard keek Worm wazig aan. Toen lichtten zijn ogen op: “Oh, de luchtfiets van mijn tante. Nou je moest eens weten. Ik heb niet eens een tante, laat staan een luchtfiets. Maar nee, andere tijden, andere dimensies. Doet nu niet ter zake. Stel toch niet altijd van die vragen. Ik raak helemaal in de war.”
“Maar u zegt altijd dat ik vragen moet stellen, want zonder. …,” zei Worm een beetje verontwaardigd.
“Oh ja, zeg ik dat, nou dan had ik toen zeker geen hoofdpijn. Nu wel, nu heb ik hoofdpijn. Zo en niet zo’n beetje ook. Ik ben ook te oud voor die stomme spreuken. Net midden in de derde volzin, beet ik op m’n tong. Ja, dan slaan de vlammen uit je oren. Nog een geluk dat ze nergens anders uitsloegen, niet waar, hè, hè, hè,” grinnikte Kriebelbaard om zijn eigen grap, “ik zeg altijd maar beter vlammen uit je mond dan uit je … Wat staan we hier toch te leuteren. Nou weet ik nog niet wie de schoonheid is die je hebt meegebracht. Ik zal het zelf wel regelen.”
Kriebelbaard stapte met uitgestoken hand op Elfried af.
“Hallo, ik ben meester Kriebelbaard. Ik ben oud en sommige noemen me een oude idioot. Ik geloof dat vooral de Woudling-oudsten me die eretitel geven.”
Elfried bleef hem onbewogen aanstaren.
“Ik zie het al, ik zie het al,” ging Kriebelbaard verder, “jij bent het volledig met die oudsten eens. Nou ja wat zou het. Kom schiet op. De thee is al bijna klaar. Oh ja en wie mag jij dan wel zijn, Woudling?”
De laatste woorden was er ongegeneerd scherp uitgekomen. Worm keek verbaasd naar de oude man. Het leed geen twifel dat hij een grondige hekel aan Woudlingen moest hebben. Waarom dat zo was kon Worm niet bedenken. Zo te horen was het wel wederzijds. Elfried bleef onbewogen onder de scherpe woorden en antwoordde kil: “Ik ben Elfried dochter van Frodulfus, de wijze.”
Opnieuw keek Worm verbaasd op. Dochter van iemand die zich Frodulfus, de wijze liet noemen. Nou nou veel bescheidenheid straalde er in elk geval niet van af.
Kriebelbaard knikte.
“Zo, zo een dochter van die oude fanaat. Nou ja als je hem binnenkort ziet doe hem dan de groeten van me. Hoewel bij nader inzien kun je dat beter niet doen. Ik geloof niet dat hij veel met me op heeft.”
“Pas op uw woorden oude man,” zei Elfried scherp, “mijn vader is geen fanaat. Mijn vader is een Woudling wijze. Hij is bovendien ons dorpshoofd.”
“Ach meisje zei ik fanaat? Neem het een oude dwaas niet kwalijk. Ik bedoelde natuurlijk Woudling wijze.”
Kriebelbaard knipoogde naar Worm en siste tussen zijn tanden zodat Elfried hem niet kon horen: “En dat is precies hetzelfde hè, hè,hè.”
Kriebelbaard draaide zich om en liep vrolijk kwekkend naar z’n boomhuis. In de vijf minuten dat de wandeling duurde stond Kriebelbaard mond niet stil. Hij vertelde over een groep aardwolven die hij de dag ervoor nog had gesproken.
“Nou ja, hè, hè, hè, gesproken. Je kan het niet echt spreken noemen. Maar ja je kan toch ook niet zeggen: Ik heb gisteren nog een groep Aardwolven geblaft.”
Hij vertelde over de Dondereiken die dit najaar een uitzonderlijk mooie rode bladerdracht hadden en over zijn experiment om een vliegsteen te maken.
“Knul, een vliegsteen, ken je dat?” vroeg de oude meester enthousiast, “nee natuurlijk ken je dat niet.”
Maar verder ging Kriebelbaard niet want ze hadden de voordeur van zijn huis bereikt. Het huisje was gebouwd in een enorme holle dondereik. Het werd afgesloten door een ronde houten deur. Om bij de deur te komen moest je eerste een nogal wankel uitziend trapje opklimmen. Bovenaan de trap was een veranda gebouwd waarop een zeer oude schommelstoel stond.
Kriebelbaard sprong opmerkelijk fris voor zijn leeftijd het trapje op en deed de deur open.
“Kom binnen, jongelui, kom binnen en maak het jezelf makkelijk.”
Worm wist dat dit loze woorden waren. Binnen was het zo’n enorme puinhoop dat er nergens een plaats vrij was waar iemand het zich makkelijk zou kunnen maken.
“Ach wat een rommeltje, hè,” zei Kriebelbaard alsof het ooit geen zooitje was. Hij schopte tegen een stapel boeken, smeet een vogelkooi een hoek in en schoof een volstrekt onbruikbare stoel met drie poten opzij waardoor er op de grond enige ruimte ontstond. Uit een hoek haalde hij drie kussens en gooide die op het vrijgekomen stukje vloer.
“Zoals ik zei, maak het je gemakkelijk. Oh, oh geef die staf maar hier dan zet ik hem wel even weg.”
Worm knikte en gaf de staf aan meester Kriebelbaard. Even had hij het gevoel om hem weer terug te pakken. Hij wilde hem houden, maar hij zag direct de onzin daarvan in. Meester Kriebelbaard zou zijn staf echt niet van hem afnemen en wie weet kon hij hem wel maken. Daarom liet Worm zich met een zucht op één van de kussens vallen. Elfried volgde zijn voorbeeld. Worm zag dat ze met een hooghartige blik de kamer in zich opnam. Het was duidelijk dat het oordeel van de Woudling-oudsten over Kriebelbaard hier stevig voor Elfried bevestigd werd.
Kriebelbaard bleef staan: “Zullen we beginnen met een kopje kruidenthee?” vroeg hij vriendelijk. De scherpe woorden van zoëven scheen hij totaal vergeten te zijn.
Worm knikte weer en zei zacht: “Ja goed lekker.” Verder zweeg hij weer.
Kriebelbaard ging naar een hoek van de kamer waar een klein fornuis stond. Hij hield zich de eerst volgende tien minuten bezig met het zetten van de thee.
Worm en Elfried spraken al die tijd geen woord met elkaar. Worm staarde afwisselend voor zich uit en dan weer naar zijn schoenen. Ondertussen bedacht hij wat hij tegen Kriebelbaard zou gaan zeggen. Hij moest in ieder geval weten wat de Vlaken bedoeld had toen hij hem een speeltje van meester Dent noemde. Wie was die meester Dent en waarom wilde de Vlaken hem doden? Hij moest ook weten hoe het met die staf zat. Welke krachten zaten er in verborgen, hoe kon hij ze gebruiken en waar kwam die oude staf eigenlijk vandaan. Van Kriebelbaard had moeder Terra hem verteld, maar waarom had Kriebelbaard hem daar dan nooit eerder over verteld?
Hij bedacht ook dat hij niet meer terug kon naar het Grobbendorp. Er was niemand meer om naar terug te gaan. Als hij terugging zouden de Grobben hem vermoorden. Daar was hij zeker van. Hij had tegen Elfried gelogen. Waarom eigenlijk? Hij was bang geweest dat Elfried hem in de steek zou laten als ze haar schuld aan hem had ingelost en dan had hij helemaal niemand meer. Maar ook als de Grobben hem niet zouden vermoorden, hoorde hij niet bij ze thuis. Hij was anders niet alleen uiterlijk maar eigenlijk begreep hij ook niets van de Grobben en hun “Het is zoals het is en daarom is het zo”. Hij had Kriebelbaards hulp nodig. Misschien kon hij bij de oude meester blijven wonen of misschien wist Kriebelbaard een plek waar hij zich voorlopig schuil kon houden voor de Vlaken.
Kriebelbaard was klaar met de thee en kwam tegenover Worm en Elfried zitten. Hij reikte hen allebei een beker gloeiende kruidenthee aan.”
Kriebelbaard blies hard en luidruchtig in zijn eigen thee dat de spetters over de rand van de kroes vlogen.
“Nou erg spraakzaam zijn jullie niet,” zei Kriebelbaard
“Je moet me helpen, Kriebelbaard.” Sprak Worm gehaast, “jij bent de enige die me kan helpen. Wie is meester Dent en hoe zit het met deze staf. Ik kan niet meer terug en ….”.
“Ho, ho,” ontbrak Kriebelbaard Worms tirade, “misschien moet je bij het begin beginnen. Ik ben een oude man en mijn hersens werken niet meer zo vlug. Ik geloof niet dat ik je kan volgen.”
Worm keek de Kriebelbaard boos aan. Toen besefte hij dat Kriebelbaard niet kon weten wat zich de laatste anderhalve dag in het Grobbendorp en in het moeras had afgespeeld.
“Er is een heleboel gebeurd, Kriebelbaard.”
“Zo, zo, oh ja, nou, neem een slokje en steek van wal. Begin vooral bij het begin zodat mijn verroeste hersenen er een touw aan kunnen vastknopen.”
Worm deed wat hem gezegd werd. Hij nam een flinke slok kruidenthee. Hij wachtte even tot de hete thee zijn maag bereikt had. Het leek wel of de thee hem rustig maakte en of ze zijn blik op de gebeurtenissen verhelderde. Worm begon te vertellen. Hij stopte pas toen hij was aangeland op het punt dat Elfried en hij Zetsnor in het woud hadden achtergelaten. Elfried onderbrak hem niet één keer. Zij luisterde net zo aandachtig als Kriebelbaard, hoewel ze het leeuwendeel van het verhaal al kenden. Ook Kriebelbaard onderbrak hem niet één keer. Af en toe als emoties hem te veel dreigden te worden nam Worm weer een slok thee en wachtte hij even tot hij weer tot rust was gekomen zodat hij weer verder kon vertellen.
Na ruim een uur stopte Worm met vertellen. Hij keek naar meester Kriebelbaard, maar die staarde naar de grond tussen zijn voeten. Opeens keek hij op. Hij richtte zich tot Elfried.
“Luister, Woudling,” sprak hij scherp, “als je nu dit huis verlaat kun je vrij en onbezorgd naar je Woudling dorp terugkeren en daar voorlopig het leven blijven leiden waar jullie Woudlingen zo gek op zijn. Met jullie wetten, wijzen en waarden. Als je blijft en luistert naar wat ik Worm moet vertellen dan zal je leven nooit meer worden als het geweest is. Je zal voortdurend in gevaar verkeren omdat anderen zullen proberen je mijn verhaal te ontfutselen. Je zal ontdekken dat er meer is in Westerne dan jullie wetten, wijzen en waarden en er zal geen weg terug meer zijn. Wat doe je?”
“Ik blijf, juist omdat niets mijn vertrouwen en geloof in onze wetten en wijzen kan verstoren. Mijn wet zegt dat ik het leven van deze roze Grobbe nog eenmaal moet redden of anders verdoemd zal zijn. Ik denk dat jouw verhaal me daarbij zal helpen,” antwoordde Elfried plechtig.
Blijf dan en zweer dat je, wat je nu te horen krijgt, nooit aan een ander zal doorvertellen. Zelfs niet aan Frodulfus de wijze”, sprak meester Kriebelbaard streng.
“Ik zweer het op de Wetten van het Woud.” Antwoordde Elfried eenvoudig.
Meester Kriebelbaard sprong van zijn kussen op en liep met uitgestrekte armen op Elfried af.
“Mooi, mooi,” riep hij enthousiast, “sommigen zeggen dat Woudlings idioten en fanaten zijn maar niemand zal van ze zeggen dat ze laf zijn. Niemand, zo lang ik leef. Kom in mijn armen, meisje!”
Kriebelbaard greep Elfried onder haar armen en tilde haar op en drukte haar drie keer liefdevol tegen zich aan, waarna hij haar weer op de grond terugzette.
Elfried was te verbijsterd om te protesteren of om iets te zeggen. Zwijgend keek ze Kriebelbaard aan. Kriebelbaard had de Woudlings eigenlijk zwaar beledigd maar hij had het zo gedaan dat Elfried niet wist hoe ze erop moest reageren.
Worm schudde zijn hoofd. Meester Kriebelbaard gedroeg zich vaker zonderling, maar nu overtrof hij zich zelf.
Kriebelbaard was inmiddels weer op zijn kussen gaan zitten.
“Goed, kinderen, goed. Nu ben ik aan de beurt.”
Opeens werd de oude man erg serieus.
“Worm, vooral zeg ik je vast dat het me spijt. Ik had je dit verhaal eerder moeten vertellen. Door het je niet te vertellen hoopte ik je te kunnen beschermen tegen dat wat nu bijna met je gebeurd is. Je verkeert in gevaar Worm, maar je verkeert al sinds je geboorte in gevaar. Ik heb je ouders of beter gezegd je moeder beloofd je te beschermen maar het had niet veel gescheeld of ik was daar zwaar in tekort geschoten.
Worm of beter Kirian, want dat is je echte naam. Je bent geen Grobbe. Je bent een mens. Jouw verhaal begint twaalf jaar geleden midden in het Westerwoud. Twaalf jaar geleden werd je geboren op de Woudveste. Niet als het kind van een eenvoudige bediende maar als de zoon van Conchubar, de aanvoerder van de Woudridders en Fura zijn vrouw. Toen de ramp zich over de Woudveste voltrok was ik niet in de buurt. Helaas, maar waarschijnlijk had ik ook niet veel kunnen doen tegen de aanval van de machtige Duistere Heren. Na zich eeuwen achter de Deemsterwal te hebben verschanst waanden ze zich sterk genoeg om Westerne aan te vallen. Ze hadden hun aanval goed voorbereid. Wee jaar voor ze de Woudveste aanvielen was er op kasteel Dondersteen een vreemde duistere man verschenen die zich in korte tijd opwierp als de belangrijkste raadsheer van koning Donderrok. De man, Salinas genaamd, zag kans de koning en een aantal anderen om zich heen in te palmen en om de Woudridders die tot dan toe konings belangrijkste Paladijnen waren zwart te maken. Er werden twee woudridders gevangen genomen en die bekenden dat de Woudridders onder leiding van Conchubar maar vooral van meester Dent een staatsgreep wilden plegen en de koning wilden vermoorden. De koning geloofden hen en meester Dent, de wijze oude opperraadsheer moest vluchten om zijn witte kop niet op het hakblok te verliezen. Alle Woudridders die nog in Overdonder waren en die de koning en zijn nieuwe volgelingen te pakken konden krijgen werden een kopje kleiner gemaakt, maar de meesten konden wegkomen en vluchtten naar de Woudveste. In de Woudveste werden de ridders met rust gelaten. Twee jaar lang maakten ze onderling ruzie over hoe ze zich nu moesten opstellen. Moesten ze zich overgeven, moesten ze de wapens oppakken en Overdonder innemen, moesten ze niets doen en in het Westerwoud afwachten wat er verder zou gebeuren? Ze konden niet kiezen en dus bleven ze zitten waar ze zaten.”
Meester Kriebelbaard stopte even. Hij schonk zichzelf nog een kop kruidenthee in maar bood Worm of eigenlijk Kirian en Elfried niets meer aan.
“Wat weten jullie van de Woudridders”, vroeg meester Kriebelbaard opeens.
“Niks”, zei Worm spontaan, “u hebt me er nooit over verteld en ook bij de Grobben heb ik nog nooit van ze gehoord.”
“En jij, Woudling” vroeg Kriebelbaard weer op die scherpe toon aan Elfried.
“Het zijn smerige verraders, die onze geliefde en door de Woudgeest verkozen koning wilden vermoorden. Vroeger waren het door de Woudgeest uitverkoren helden maar er is schimmel en bederf in hun geesten geslopen en nu spugen ze op onze wijzen en wetten.” antwoordde Elfried boos.
Meester Kriebelbaar knikte. “Ja,” zei hij verdrietig, “zo denken de Woudlings nu over de Woudridders. En ze zijn niet de enigen, oh nee, bijna alle mensen in Westerne denken zo. Salinas heeft zijn werk goed gedaan, heel goed.”
“Wie is Salinas, meester”, vroeg Worm.
“Je zit toch niet te slapen, hè jongen?”vroeg meester Kriebelbaard een beetje boos, “dat heb ik net verteld.”
Nee, ja u hebt verteld dat die duistere man Salinas heet, maar wie is hij? Waar komt hij vandaan? Wat wil hij?”
“Veel vragen, Kirian …
“Zou u me voorlopig Worm willen noemen meester, onderbrak Worm Kriebelbaard, als u Kirian zegt denk ik eerder dat u het tegen die maffe raaf van u heeft dan tegen mij.”
“Maar die heet Rafya,” zei meester Kriebelbaard verbaasd.
“Nou, kunt u nagaan. Kirian past nog niet bij me.”
De oude meester haalde zijn schouders op.
“Goed, veel vragen Worm, veel vragen. Salinas is niet voor niets een duistere man. Niemand of in ieder geval bijna niemand weet waar hij vandaan komt en wie hij is. Wat hij wil weet ik wel. Hij wil macht, veel ongetemde macht.”
“Bijna niemand,”vroeg Worm, “maar u weet het natuurlijk wel.”
“Nee, ik weet het ook niet,” zei meester Kriebelbaard iets te hard en iets te snel.
Worm keek naar Elfried. Hij wist bijna zeker dat zij het ook gehoord had. De oude meester wist het wel of in ieder geval wist hij meer dan hij wilde zeggen.
“Luister, kinderen. De woudridders hebben nu een heel slechte naam, maar dan was niet zo en het is ook niet terecht. Ze hebben nooit een complot tegen de koning gesmeed. Het was een leugen van Salinas om de beste beschermers van Westerne uit te schakelen. De orde van de Woudridders bestaat al eeuwen lang. Ik zal jullie niet vervelen met 500 jaar Westernse geschiedenis, maar een paar dingen moeten jullie toch weten. Vijf honderd jaar geleden eindigden de Drakenoorlog. De draken verdwenen uit Westerne en lieten het land onbeschermd achter. Vanuit het noorden en oosten driegde namelijk groot gevaar. In het noorden wonen de Vlaken en de Nukken. Nou wat Vlaken zijn en Nukken zijn weet je inmiddels maar al te goed. Tot twaalf jaar geleden woonden deze monsters achter de Deemsterwal en achter de Maanbergen. Nadat de draken verdwenen waren heeft meester Dent razend een ridderorde opgericht die Westerne tegen de Vlaken en de Nukken moesten beschermen. En wonder boven wonder is hem dat gelukt. De eerste ridders trainde hij zelf. Hij leerde ze vechten met zwaard, lans en boog, maar bovenal leerde hij ze spreuken waarmee hun zwaarden en hun wapenrustingen een zekere magische kracht kregen. De Woudridders waren vrijwel onverslaanbaar. Elk jaar kwamen er honderd Woudridders bij. Vijftig uit de waren kinderen van Woudridders of andere edelen en vijftig werden met een ingewikkelde verkiezing uit het volk gekozen. Vijfhonderd jaar lang waren de Woudridders onaantastbaar en toen op één nacht ging het mis. Twaalf jaar geleden vielen Vlaken en Nukken en wellicht nog andere verschrikkelijke wezens de Woudveste aan. En wat voor onmogelijk werd gehouden. Het machtige kasteel werd vernietigd. Niet alleen het kasteel maar ook alle ridders en hun volgelingen die zich in het kasteel bevonden werden gedood. Slechts een enkeling kon ontsnappen.En nu kom jij weer in beeld Worm, hoewel je op die duistere nacht nog Kirian heette. Je moeder was met je naar de kelders onder het kasteel gevlucht omdat ze wist dat daar vandaan een geheime tunnel naar het woud liep. Toevallig, hoewel toeval is zo’n geval niet bestaat, dus laten we zeggen het noodlot wilde dat ze Aldar tegen het lijf liep. Aldar was een jonge leerling. Hij was twee jaar ervoor als één van de uitverkorenen uit het volk in de Woudveste gekomen. Aldar was een slechte leerling. Hij wilde helemaal geen ridder worden. Hij wilde smid worden en net als zijn vader en zijn grootvader en nog 34 grootvaders voor hem als smid werken in het dorpje Gein. Hem moest Fura nu net tegen komen. Zij besefte dat hij de enige hoop voor Kirian was om uit de hel gered te worden. Zelf wilde ze niet weggaan. Ze wilde op zoek gaan naar haar grote liefde, Conchubar, en samen met hem strijdend ten onder gaan. Ze had waarschijnlijk een goede reden om niet voor jou maar voor haar man te kiezen. Ik snap niet waarom ze anders niet zelf mee vluchtte.
Ze wees Aldar de weg naar de geheime tunnel en vertelde hem dat ze jou bij mij hier in het woud moest brengen. Ik zou dan verder voor je veiligheid zorgen. En Aldar die nog nooit een opdracht als leerling echt goed had uitgevoerd, nam deze taak op zich en volbracht hem met glans.”
Meester Kriebelbaard onderbrak zijn verhaal weer om een slokje thee te nemen.
“Maar waarom noemde die Vlaken mij het speeltje van meester Dent en wat heeft deze staf ermee te maken?” Worm hield de zwart geblakerde staf omhoog.
Ho, ho, ik snap dat je haast hebt, maar één ding tegelijk Worm, één ding tegelijk.
Op een dag stond Aldar hier voor de deur. Hij had jouw in een bundeltje dekens gewikkeld. Ik hoefde niet lang na te denken. Ik moest je zien te verbergen op een plaats die zo onwaarschijnlijk was dat niemand eraan zou denken je daar te zoeken. Ik wist namelijk zeker dat Salinas het er niet bij zou laten zitten. Hij zou de zoon van Conchubar willen doden voor die zoon oud genoeg was om achter hem aan te gaan. Dat is de manier waarop hij denkt. Dus ik moest snel zijn want hij zou zeker spionnen uitzenden op het moment dat hij te horen kreeg dat jij niet gedood was. Ik heb je van Aldar aangenomen maar hem niet verteld wat ik met je zou doen. Aldar is hier nog één dag gebleven en toen is hij naar Overdonder vertrokken. Van Fura had hij wat sieraden gehad als een soort beloning vooraf en ook ik gaf hem wat geld mee. Toen Aldar vertrokken was schoot me plotseling te binnen dat er in het Grobbendorp een jonge Grobbenvrouw leefde die misschien wel heel geschikt zou zijn om jou te verzorgen.”
“Moeder Terra,” vroeg Worm nieuwsgierig.
“Juist, moeder Terra. Terra had al een zoon maar ze was ook een zoon tijdens de geboorte verloren. Ze was daar heel verdrietig over en het leek me een goed idee om jou aan haar toe te vertrouwen. Bovendien wist ik dat ook Knoest uit het goede hout gesneden was. Eigenlijk gold dat voor alle Grobben, maar sinds die Zetsnor en z’n vrouw in het dorp zijn komen wonen is er wat veranderd. Ze hebben een slechte invloed op de Grobbekinderen dat is zeker. Maar goed. Ik denk dat mijn keus om jou bij Knoest en Terra onder te brengen geen slechte was. Ik kon je van hier uit goed in de gaten houden en ze hebben geweldig voor je gezorgd. Ondanks de tegenwerking die ze kregen. Dat het uiteindelijk toch is misgegaan komt vast door die schoolmeester. Ik weet bijna zeker dat hij je verraden heeft en dat hij die Vlaken op je af gestuurd heeft. Ik zal hem er binnenkort eens naar vragen.”
“Nou denk maar niet dat hij je antwoord zal geven. Hij heeft niet bepaald een hoge dunk van je meester,” zei Worm.
“Oh nee, is dat zo,” antwoordde Kriebelbaard quasi verbaasd, “ nou ja misschien moet ik het hem ook niet vriendelijk vragen maar moet ik hem eerst boven de muil van een Vleeseik laten bungelen of eh hem een beetje laten stoeien met een Aardwolf. Nou, ik zie wel maar praten zal ie.”
De laatste woorden waren er weer op die scherpe, kille toon uitgekomen. Worm werd bijna bang van de oude meester. Voorheen had hij altijd zo’n aardige oude goedzak geleken, maar blijkbaar had Kriebelbaard ook kanten die Worm niet kende.
“Heeft u mijn vader en moeder zelf gekend, meester?”
Kriebelbaard knikte. “Ja, Worm ik heb ze gekend. Ik heb zelf lang op de Woudveste gewoond. En daarvoor ben ik nog langer het hulpje van meester Dent geweest. Vandaar.”
“En eh hoe waren ze. Ik bedoel wat voor mensen waren het.?
Meester Kriebelbaard gaf niet direct antwoord. Hij dacht lang na en zei toen: “Je vader Worm was niet voor niets de aanvoerder van de Woudridders. Hij had of heeft uitzonderlijke kwaliteiten. Niet alleen is hij een zeer goede zwaardvechter en boogschutter maar zijn woudkennis stijgt ver boven die van de andere Woudridders uit. Hij is een echte aanvoerder. Niemand twijfelt aan zijn gezag.”
“Is hij aardig, als een vader bedoel ik?”
“Aardig?” herhaalde Kriebelbaard langzaam, “nee Worm ik geloof niet dat aardig een eigenschap is die erg bij je vader past. Eerlijk wel en recht door zee ook maar aardig nee.”
Het antwoord stelde Worm teleur. Hij had graag een aardige, lieve vader gehad.
“Je moeder Worm die is aardig en mooi en intelligent. Ze is een prachtige vrouw,” terwijl Kriebelbaard dat zei leek het of er tranen in zijn ooghoeken glinsterden.
“Weet je wat er met mijn echte vader en moeder gebeurd is,” vroeg Worm, “leven ze nog?”
Kriebelbaard keek Worm ernstig aan. “Ik weet het niet jongen, maar als ik het wel zou weten zou ik het je niet zeggen. Als ze nog leven moet dat in ieder geval voor Salinas verborgen blijven en hoe minder mensen het weten hoe beter het is.”
“En hoe zit het nou met die staf?” Worm vuurde nu de ene vraag na de andere af.
“Ach, wat dom van me. Natuurlijk de staf. Ik was hem helemaal vergeten.”
Worm keek schielijk naar het gezicht van Elfried. Het straalde verbazing en ongeloof uit en zo voelde Worm het ook. Hoezo vergeten? Hoe kon je nu zo’n machtig en van magie doordrenkt voorwerp vergeten.
“Toen Aldar hier aan kwam hield hij jou in zijn ene arm en in zijn andere hield hij de staf. Ik herkende de staf direct. Het was de staf van meester Dent, de oude raadsheer van de koning. Aldar vertelde dat Fura hem de staf had meegegeven met de opdracht hem ook aan mij te geven. Ik wist dat er grote krachten in de staf schuilen die meester Dent er lang geleden heeft ingebracht en het leek me geen goed idee zo’n machtig voorwerp hier in mijn eenvoudige boomhuisje te bewaren. Dus besloot ik de staf op dezelfde plaats te verbergen als waar ik jou wilde verbergen. Aan Terra vertelde ik alleen dat de staf uiteindelijk voor jou bestemd was. Ik vertelde haar natuurlijk niet van de krachten die erin opgesloten zaten. Op de een af andere manier heeft Terra aangevoeld wanneer ze je de staf moest geven. Hij heeft je leven gered.”
“Maar waarom brandde Terra haar vingers toen ze de staf aan mij gaf en waarom ik niet? En waarom kwamen er magische krachten los toen ik de staf in mijn handen hield. Oh ja, en waarom kwamen die krachten de ene keer wel vrij en een andere keer weer niet??”ging Worm verder.
“Vragen. Zoveel vragen Worm. Ik ben maar een oude man en denk je nu werkelijk dat ik al die vragen van jouw kan beantwoorden? Veel dingen weet ik gewoon niet. Ik was ook maar een hulpje van meester Dent.”
Worm keek meester Kriebelbaard verbaasd aan. Zo had de oude meester nog nooit gereageerd. Een oude man die alleen maar een hulpje was geweest? Worm geloofde er geen barst van. Oh zeker hij was oud en hij was de hulp van meester Dent geweest, maar dat hij de antwoorden op Worms vragen niet wist dat ging er bij hem niet in.
Worm besloot het over een andere boeg te gooien.
“Nou ja, zei hij, “de staf is nu toch niks meer waard. Hij is verbrand.”
Meester Kriebelbaar knikte. “Ja, ja ,” fluisterde hij, “verbrand maar hoe erg. De vurige adem van een Vlaken is niet zo sterk. Het is geen Drakenvuur. Wie weet Worm kan ik hem weer herstellen. Maar dat gaat tijd kosten, veel tijd.”
“Maar kunt u dat dan wel? Ik bedoel net zei u nog dat u veel dingen gewoon niet weet. Nou het lijkt me …”
“Het lijkt jou, jongen, zei meester Kriebelbaard scherp, “wat lijkt jou? Lijkt het jou een makkie om de staf te herstellen of lijkt het jou dat een ouwe beuzelaar als ik dat zeker niet kan? Nou?”
Worm gaf geen antwoord.
“Hé, geen vragen meer? Uitgevraagd Worm? Hopelijk zal je eens begrijpen waarom ik meer niet weet dan wel, omdat je dan zelf er ook achter komt dat je maar heel weinig weet. Ik ga proberen die staf te maken maar ik moet daarvoor oude, heel oude boeken raadplegen en hun wijze woorden vergelijken en opnieuw raadplegen.
“Ik heb geen tijd,” antwoordde Worm met de moed der wanhoop, “ik moet Terra bevrijden uit de klauwen van die smerige Vlaken voor ze haar gebroken hebben. Daar heb ik de staf bij nodig”
Worm kromp ineen onder de blik van de oude meester. Hij besefte dat hij heel brutaal was geweest, maar hij kon niet anders.
Meester Kriebelbaard keek Worm nog heel even vernietigend aan en begon toen te lachen.
“Ik lach je niet uit Worm, nee ik lach je zeker niet uit. Jij bent moedig knul maar ook nog onwetend en misschien welk wat onnozel. Je hebt toch gemerkt dat de staf zich niet laat gebruiken. Het is de staf die bepaald of zijn macht naar buiten mag en niet de gebruiker.
“Dan ga ik wel zonder staf naar Overdonder. Ik zie wel hoe ik Terra kan bevrijden.”
“Nu ben je niet alleen onwetend maar ook dom. Hoeveel kans denk je dat je hebt tegen de Vlaken in de stad en hun trawanten? Nou neem van mij aan geen enkele kans. Met de staf heb je een kleine kans als de staf jou en je doel goed gezind is.”
“En hoe weet ik dat,” vroeg Worm.
“Dat weet je pas op het moment dat je hem gebruikt.”
“Dan ga ik nu zonder staf.”
“Geen denken aan”, zei meester Kriebelbaard resoluut, “dan zouden al die jaren bij de Grobben voor niets zijn geweest. Nee, Worm ik heb een ander plan. Luister goed Woudling want in dit plan speel jij een grote rol.”
Elfried keek naar meester Kriebelbaard. “Laat je plan maar horen, oude meester,”zei ze beleefd.
Worm gaat et jou mee naar de Woudlings, Elfried. In jullie dorp is hij voorlopig veilig. In de tussentijd herstel ik de staf. Als de staf weer werkt, dan vind ik wel een manier om je te waarschuwen Worm. Daarna maken we samen een plan om met behulp van de staf Terra te bevrijden.”
“Dat gaat veel te lang duren, meester,” zei Worm, “als we te lang wachten hoeft het niet meer dan hebben ze Terra waarschijnlijk vermoord.”
“Dat denk ik niet, Worm. De Vlaken zetten hun gevangenen aan het werk maar ik heb nog niet gehoord dat ze ze met opzet vermoorden. Bovendien weten zij ook wel dat Terra het beste lokaas is om jou in handen te krijgen.”
Worm schudde met z’n hoofd. “Ik heb weinig keus, hè? “
In plaats van Kriebelbaard antwoordde Elfried Worms vraag.
“Dat is het eerste verstandige wat je zegt. Je hebt helemaal geen keus. Alleen red je het nooit om je Grobbemoeder te bevrijden.”
Worm keek van Elfried naar Kriebelbaard. Hij had inderdaad geen keus. Bovendien als hij met gaelign meeging kon hij altijd nog besluiten om weg te lopen om Terra te bevrijden. Hij knikte.
“Goed, ik ga met je mee Elfried, maar je moet me beloven Kriebelbaard dat je de staf zo snel mogelijk hersteld.”
Meester Kriebelbaard knikte: “Dat beloof ik je, Worm. Dat beloof ik je.”
Kriebelbaard klonk duidelijk opgelucht.
“Kom, ik zal wat lekkers voor jullie klaarmaken. Jullie zullen wel honger hebben. Vannacht kunnen hier veilig slapen. Ik denk niet dat Zetsnor of de Grobben jullie hier lastig zullen vallen. Morgen kunnen jullie dan op weg gaan naar de Woudlings.”